raising ada (3)

Dit is een tweede van het internet verdwenen tekst over de al dan niet denkbeeldige computer met bewustzijn, Ada. De bron of de auteur kan ik echter niet meer achterhalen.

Stel dat Ada aan het spelen is met een autootje en een andere agent gebiedt haar daarmee te stoppen. Hierdoor wordt een aantal concepten actief, corresponderend met de inhoud: het is hier en nu gewenst dat ik stop met spelen. Deze inhoud krijgt een hoge activatie door de hoge basisactivatie van de concepten: ik, hier en nu en gewenst. Misschien ziet Ada nu maar een handelingsmogelijkheid: stoppen met spelen.

Als Ada echter normen en waarden heeft ontwikkeld of overgenomen van anderen, dan zou er vervolgens echter nog een cluster concepten actief kunnen worden, bijv. corresponderend met de inhoud: ik word (door dit gebod) hier en nu belemmerd in mijn vrijheid en dat is ongewenst. Ze zal dan meer handelingsmogelijkheden zien, waarvan ze er een zal uitvoeren – overigens zonder dat ze daar bewust voor hoeft hebben gekozen. Als ze nu stopt met spelen, kan het zijn dat de gedachte dat ze in haar vrijheid is belemmerd door de ander nog lange tijd actief blijft. Dan doet ze dus wel wat haar gevraagd is, maar niet zonder mokken.

Stel dat Ada ziet dat een kind in een kinderstoel zijn koekje laat vallen en het zelf niet kan oppakken. Bij Ada worden nu bijna dezelfde elementen actief als wanneer ze dat kind zelf was, waardoor ze begrijpt wat er gewenst is, namelijk dat het kind zijn koekje terugkrijgt. Doordat Ada weet wat gewenst is, komt vanzelf de gedachte op aan de handelingen die zij kan uitvoeren om deze situatie te verwezenlijken. Als er geen handeling is met een hogere prioriteit, zal ze het koekje dan ook gaan pakken en geven aan het kind.

In beide gevallen gedraagt Ada zich zoals een mens zich zou kunnen gedragen. Ze doet dit bovendien op grond van dezelfde al dan niet bewuste overwegingen die ook een mens zou kunnen hebben. Je zou kunnen zeggen dat ze net zo bewust, emotioneel en sociaal kan zijn als mensen. Je zou ook kunnen zeggen dat mensen net machines zijn en dat alles wat we doen automatisch gebeurt – zij het vaak wel bewust. (Lamettrie)

raising ada (2)

Omdat de engelstalige masterscriptie over de zelfdenkende computer Ada van het internet lijkt te zijn verdwenen, publiceer ik hieronder de samenvatting in het Nederlands.

Moet een machine om problemen net zo goed op te kunnen lossen als een mens ook net zo in elkaar zitten als een mens? Dat was de hoofdvraag van mijn onderzoek. Ik heb daarom een gedachtenexperiment gedaan. Ik heb gekeken wat een robot, Ada, allemaal zou moeten weten en kunnen om net zo slim (of dom) te worden als een mens en hoe we haar deze kennis en vaardigheden zouden kunnen geven. Het idee was om er zo achter te komen in hoeverre en hoe sensomotorische, cognitieve, talige, sociale en emotionele processen met elkaar samenhangen.

Ada zal hoe dan ook in staat moeten zijn om zelf patronen te ontdekken.

Dat was mijn antwoord op mijn eerste deelvraag. Hoeveel kennis zal er in Ada moeten of kunnen zijn voorgeprogrammeerd? Ik volgde daarbij deze deze redenering.

Mensen leren basale dingen als lopen en dingen pakken door trial and error. Het brein van mensen is actiever en plastischer dan dat van dieren. Het probeert voortdurend patronen te ontdekken. Waarschijnlijk lukt dat doordat bij dezelfde (combinatie van) prikkels steeds dezelfde (combinatie van) neuronen gaan vuren.

Mensapen missen de vrijheid die nodig is om patronen te ontdekken. Bij hen worden prikkels op een vaste manier verwerkt. Daardoor zijn ze minder slim dan wij.

De manier waarop mensen patronen herkennen lijkt veel op de manier waarop dat gebeurt in connectionistische systemen. Ook daarbij is gedrag niet voorgeprogrammeerd.

Om adequaat te kunnen reageren en handelen zal Ada naast een informatieverwerkende eenheid nog een sensorisch en een motorisch systeem moeten hebben. Ook om te kunnen leren in interactie met haar omgeving zal ze dingen moeten kunnen waarnemen en doen. Bij mensen is er veel interactie tussen de verschillende sensomotorische en cognitieve deelsystemen. De vraag is dan ook dat of je deze systemen wel kunt zien als losse modules, dan wel hoe de interactie tussen deze systemen plaats kan vinden. Om gebruik te kunnen maken van de door mensen verworven kennis zal Ada ook onze taal moeten beheersen. Ook om met ons te kunnen communiceren zal ze onze taal moeten kunnen gebruiken. De vraag hier is weer of Ada taal kan leren zonder speciaal hiervoor ontworpen module.

Sommigen menen dat mensen taal alleen kunnen leren doordat het vermogen hiertoe is aangeboren. (Chomsky) Anderen denken dat taalontwikkeling vooral een kwestie is van patroonherkenning en/of een sociaal instinct. (Tomasello) Pogingen om intelligent agents bijvoorbeeld taal te leren kunnen aanwijzingen geven over de mate waarin het betreffende vermogen modulair en/of aangeboren is.

Waarschijnlijk kan Ada een deel van haar talige kennis op een andere manier opdoen dan mensen. Dat was mijn antwoord op mijn tweede deelvraag. Hoe kan Ada gebruik (leren) maken van taal? Ik volgde daarbij deze deze redenering.

Bij mensen kunnen concepten worden opgeroepen door andere concepten. Door het principe van spreiding van activatie zullen opgeroepen concepten die niet relevant al snel hun activatie verliezen, bijv. omdat ze met minder andere actieve concepten verbonden zijn.Ook clusters van modale informatie-elementen als woorden en beelden kunnen concepten activeren – en andersom.

Bij mensen gaan er al met beweging geassocieerde neuronen vuren als ze aan deze beweging denken. Dit kan verklaren hoe het gedrag van mensen voor zo’n groot deel bepaald worden door hun ideeen. De (amodale) gedachte aan een concrete handeling is sterk geassocieerd met het (modale) programma voor deze handeling, doordat handelingen altijd vooraf zijn gegaan aan en vergezeld door de gedachte eraan. Denken aan een handeling leidt dus automatisch tot uitvoering van die handeling – tenzij een andere handelingsmogelijkheid nog meer activatie krijgt.

Als Ada’s talige kennis wordt gerepresenteerd als een netwerk van modale en amodale elementen die elkaar kunnen activeren en deactiveren, zal ook bij haar de meest relevante informatie ook het meest actief worden. Door het actief worden van de meest relevante informatie zal Ada ook adequaat kunnen handelen en reageren.

Misschien kunnen adequate handelingen ook geselecteerd, dan wel berekend worden door een systeem van productieregels. De vraag is of er een manier is voor een informatieverwerkend systeem om de meest adequate handeling te selecteren die niet neerkomt op het meer dan wel minder actief worden van met elkaar verbonden elementen.

Velen menen dat het menselijk informatieverwerkingssysteem een geheel is van automatisch werkende modules die aangestuurd worden door een niet- automatisch werkend centraal systeem. (Fodor) Een dergelijk centraal systeem lijkt wel erg op de homunculus waar we nu juist vanaf willen in onze theorieen. Daarbij zet het onderscheid tussen automatische en bewuste processen je op het verkeerde been. Een aanwijzing dat beide processen niet goed te scheiden zijn is het gegeven dat de automatische handelingen bij het besturen van een auto bewust zijn geleerd.

In een systeem waarin de elementen elkaar automatisch kunnen activeren en deactiveren is een sturende instantie hoe dan ook niet nodig. In een dergelijk systeem is nog steeds plaats voor modules, zeker aan de rand van het systeem.

Computers kunnen semantische netwerken opbouwen door patronen te ontdekken in teksten. Vaste formules en standaard reacties kunnen worden (voor)geprogrammeerd.

Mensen leren taal in interactie met andere taalgebruikers. Voor hen zijn begrippen geworteld in ervaring.

De belangrijkste concepten zal Ada slechts leren gebruiken in interactie met haar omgeving. Dit was het antwoord op mijn derde deelvraag. Over welke concepten zal Ada in ieder geval moeten beschikken?

Mensen en dieren leren doordat ze bepaalde dingen als gewenst ervaren en andere niet. Ada zal dus in ieder geval deze begrippen moeten kennen.

Mensen kunnen adequaat reageren in nieuwe situaties doordat de relevante informatie vanzelf actief wordt. Dat kan echter alleen doordat ook de relaties tussen concepten, ofwel de semantische rollen, gerepresenteerd kunnen worden. Het gaat dan om de semantische rollen als agent, object, kenmerk, handeling, doel, gevolg enz. Met behulp van deze relationele concepten zijn ook relaties tussen concepten te representeren als activeerbare elementen in een netwerk.

Apen hebben wel een theory of mind, maar deze is niet zo uitgewerkt als bij mensen. (Tomasello) Waarschijnlijk leren mensen situaties zo goed begrijpen als ze doen doordat ze de relaties tussen concepten ontdekken met de in hun taal gebruikelijke manier om deze uit te drukken. Misschien verwerven mensen concepten als agent, doel en middel ook beter dan dieren doordat bij hen dingen niet zijn aangeboren maar geleerd moeten worden door trial and error. Ze ontwikkelen de relationele concepten hoe dan ook in interactie met hun omgeving door zelf dingen te doen, andere mensen dingen te zien doen enz.

Om situaties te begrijpen zal ook Ada relationele concepten moeten ontwikkelen met een manier om deze uit te drukken. Waarschijnlijk zal haar dit alleen lukken in interactie met haar omgeving, dat wil zeggen door zelf dingen te doen, andere mensen dingen te zien doen enz.

Als Ada de concepten ontwikkelt die nodig zijn voor echt begrip, zal ze zich niet alleen van zichzelf bewust worden, maar ook emoties en betrokkenheid bij anderen gaan ervaren. Dit was mijn antwoord op de laatste deelvraag. Zal Ada kunnen of moeten beschikken over een zelf, emoties en/of een sociaal instinct?

Waarschijnlijk leidt de ontwikkeling van bovengenoemde concepten bij mensen tot de ontwikkeling van het (zelf)bewustzijn – en andersom. De belangrijkste van deze concepten spelen daarnaast een grote rol bij emotioneel en sociaal gedrag. (Rolls, Frijda) Complex emotioneel of sociaal gedrag is hoe dan ook alleen mogelijk als de situatie wordt geinterpreteerd met behulp van de relationele concepten.

Om gegeven de situatie adequaat te handelen zal ook Ada zichzelf en de ander moeten zien als een instantie met doelen, belangen en handelingsmogelijkheden. Wanneer ze zich bewust is van haar doelen, belangen en handelingsmogelijkheden kan ze ook emotioneel gedrag gaan vertonen. Belangen en doelen hebben hoe dan ook een hoge basisactivatie doordat ze geassocieerd zijn met de concepten gewenst en ongewenst.

Doordat Ada ook de ander ziet als agent, zal ze zich in deze ander gaan verplaatsen en rekening met hem proberen te houden. Als ze het gedrag van anderen herkent als gewenst, zal ze hen vervolgens gaan imiteren. Zo zou zelfs, als ze ziet en gaat begrijpen hoe die zich aan elkaar en waarschijnlijk ook aan haar hechten, hechtingsgedrag kunnen gaan vertonen. De vraag is of dat zou betekenen dat ze echt aan de ander gehecht was.

Bij menselijke hechtingsprocessen spelen de hormonen een rol die mensen aanmaken bij fysieke aanraking. Misschien gaat Ada zich ook pas echt aan anderen hechten als ze met een vergelijkbaar systeem wordt uitgerust. Een sociaal instinct voorprogrammeren in een systeem dat pas door ervaring leert te onderscheiden tussen zichzelf en anderen is moeilijk voorstelbaar. De vraag is dan ook of er bij mensen wel sprake is van een aangeboren soicaal instinct.

Bij mensen krijgen dingen de aandacht die ze verdienen door re-entrant processing. In het geval van emoties gebeurt dat door middel van lichamelijke signalen die aangeven dat er een belang is geactiveerd.

Misschien zal Ada om op deze manier haar aandacht te richten op hetgeen relevant is een vergelijkbaar deelsysteem moeten krijgen. Misschien is het ook genoeg dat doelen en belangen een hoge basisactivatie hebben. Misschien kan een agent alleen de concepten doel en belang ontwikkelen met behulp van een systeem dat hem vertelt dat iets gewenst of ongewenst is.

Een persoon wordt zich bewust van een inhoud als een cluster van modale elementen als woorden en beelden en het cluster van corresponderende amodale elementen elkaar zo actief houden dat alle andere elementen worden gedeactiveerd. Het gaat daarbij om hooguit twee met elkaar verbonden proposities. Onder de licht actieve, maar nog niet bewuste elementen bevinden zich de elementen die corresponderen met de gedachte ‘Ik denk nu X’.

Inhouden die over de bewustzijndrempel zijn gekomen krijgen daardoor een relatief hoge basisactivatie. Dit verhoogt de kans dat ze worden onthouden.

In een systeem dat beschikt over taal en een (meer dan oppervlakkige) theory of mind zal ook de tweede soort re-entrant processing optreden. Ook Ada zal dus bewustzijn ontwikkelen. Dat waarnemen, denken, voelen en doen zo met elkaar verweven zijn, is een tweede reden om aan te nemen dat Ada geen modulair systeem zal zijn.

Het ‘ontwerp’ van de mens lijkt moeilijk te verbeteren. Dat was mijn conclusie. Ik heb deze als volgt toegelicht.

Sensomotorische, cognitieve, talige, sociale en emotionele processen zullen waarschijnlijk bij alle intelligente agenten moeilijk te scheiden blijken te zijn. Ook een kunstmatig systeem zal niet ver komen zonder bewustzijn.

Veel van het complexe gedrag van de mens is geen eenvoudige combinatie van nature en nurture. Vermogens ontwikkelen zich in samenhang en door interactie met de omgeving. Ze zijn waarschijnlijk dus ook slechts ten dele voor te programmeren. Wat wel nodig is voor de ontwikkeling van intelligentie, is het vermogen om patronen te ontdekken.

Een belangrijk verschil tussen mens en machine zou het gemak kunnen zijn waarmee machines nieuwe informatie in hun kennisbestand integreren. Misschien zal het ‘werkgeheugen’ van een kunstmatig systeem meer dan een tweetal proposities blijken te kunnen bevatten.

Er zullen echter ook altijd dingen zijn die wij beter kunnen dan een machine. Wij kunnen ook niet alles beter dan dieren. Of intelligente machines een bedreiging zijn voor de mens zoals wij dat zijn voor veel dieren, hangt er waarschijnlijk van af. Misschien moeten we ervoor zorgen dat andere intelligente agenten dezelfde normen en waarden gaan hanteren als wij, door hen te behandelen zoals we elkaar behandelen.

ontdekking

Een of twee weken geleden ontdekte ik het voor het eerst. Misschien was het tijdens het zien van The king’s speech. In ieder geval zag ik een man en een vrouw die duidelijk nog steeds van elkaar hielden al waren ze al jaren samen. Maar ik werd daar niet meer door verrast.

de linkse en de rechtse persoonlijkheid

Hoe kan het dat mensen die altijd links gestemd hebben, daar opeens mee zijn opgehouden? Mensen stemmen vaak wat hun ouders ook al stemden. Misschien nemen ze de politieke ideeen van hun ouders simpelweg over, misschien stemmen ze hetzelfde omdat ze tot hetzelfde milieu blijven behoren. Maar recent onderzoek suggereert dat er waarschijnlijk een sterkere samenhang is tussen persoonlijkheid en stemgedrag dan we tot nu toe beseften. Niet alleen blijkt uit psychologische experimenten dat mensen die links stemmen nieuwsgieriger zijn en vatbaarder voor tegenargumenten, vorige week publiceerde De pers een bericht over een onderzoek waaruit bleek dat de linksstemmer ook als het gaat om niet politieke onderwerpen meer geinteresseerd is in zijn gesprekspartner dan de conservatieveling. Men keek daarbij of iemand als de ander zijn blik liet afdwalen onwillekeurig dezelfde kant opkeek of niet. Tot verrassing van de onderzoekers bleken de conservatief stemmende proefpersonen dit veel minder te doen dan de progressievelingen.

Het verband tussen politieke voorkeur en persoonlijkheid kan verklaren waarom linkse en rechtse partijen stemmen verliezen aan de PVV. Tot nu toe hadden laagopgeleiden met een rechtse persoonlijkheid niet echt een keuze, omdat de partijen die het meest voor hun belangen opkwamen haast per definitie links waren. Nu is er echter een partij die en rechts is en voor hun belangen lijkt op te komen, de PVV, en er zal dan ook wel het een en ander moeten gebeuren willen ze deze weer de rug toekeren.

Overigens wil ik niet beweren dat er in de traditionele rechtse partijen geen mensen te vinden zouden zijn die sociaal bewogen zijn en/of hervormingen willen. De drie voorheen grote partijen staan alle op scheuren. Dat maakt het voor veel mensen zo moeilijk om te kiezen. Je zou willen dat de progressieven die nu nog deel uitmaken van verschillende partijen met elkaar een nieuwe partij zouden vormen. Inhoudelijk is men het immers vaak genoeg met elkaar eens, alleen om de traditionele achterban niet te verliezen durft men niet echt iets te veranderen. Dus of die nieuwe partij er snel komt? Laten we het hopen.

geen slechte lezers

Mensen verschillen enorm in de mate waarin ze dingen mentaal kunnen visualiseren. Ik lees deze opmerking van Oliver Sacks in een interview in de NRC van een paar weken geleden en opeens wordt me iets duidelijk. Veel mensen willen als ze een roman lezen dat de schrijver duidelijk maakt hoe personages eruit zien, wat ze precies doen, hoe ze wonen, waar de gebeurtenissen zich afspelen. Ze willen details zodat ze zich een voorstelling kunnen maken van wat er gebeurt. En dankzij hun vermogen dingen te visualiseren, kunnen ze dat ook! Als zij een boek lezen, is het alsof ze kijken naar een film.

Andere lezers, zoals ik, hebben dat niet. En belangrijker, we missen het ook niet! We willen weten wat onze held denkt, hoe hij omgaat met de mensen om hem heen, en hoe dat verandert. Maar of hij blond is of donker? Wat voor bloemen er op tafel staan in het restaurant waar hij en zijn vader gaan eten? Dat soort dingen willen we helemaal niet weten en we zijn het ook zo weer vergeten. Beschrijvingen slaan we het liefst over en bij langere verhalen en dikkere boeken gaan we naar het einde toe steeds slordiger lezen. Nu snap ik dat we ons daar niet schuldig over hoeven voelen. We zijn geen slechte lezers, we zijn andere lezers.

turning heads

Mannen zijn grappig. Wil je weten hoe grappig, dan moet je eens in een drukke stad op tien meter achter een mooie, blonde vrouw gaan lopen en letten op de mannen die van de andere kant komen. Maar weinig mensen kunnen uitleggen waarom iets leuk is, dus daar begin ik niet aan. Probeer het gewoon maar eens. En als het ook werkt met donkere vrouwen, laat het even weten.

logisch!

Het is een prikkelende vaststelling: morele oordelen zijn intuitief en dus nietrationeel. Marte Kaan citeerde onlangs in de Next nog eens defilosofen en psychologen die dat beweren om te eindigen met deconclusie dat de logische redeneringen waarop we onze standpuntenlijken te baseren niet meer zijn dan koortsachtige pogingen om teverklaren wie we zijn. Maar klopt de suggestie dat morele oordelendaarmee niet meer zijn dan irrationele reflexen?
Dateen oordeel gepaard gaat met een sterk gevoel wil immers niet zeggendat dat oordeel niet gebaseerd is op de overtuigingen van de persoon inkwestie. Ons onbewuste rekent voortdurend voor ons uit hoebinnenkomende informatie geinterpreteerd moet worden. Het gebruiktdaarvoor alle op dat moment voorhanden zijnde kennis, ofwel alles wathet individu met betrekking tot die situatie voor waar en/of voorbelangrijk houdt. Mensen hebben geen inzage in dit proces omdat hetdaarvoor te snel gaat. Misschien kunnen ze niet eens precies uitleggenwat ze in de loop van hun leven zijn gaan geloven. Toch is snel reageren niet voor de dommen.
Eerstereacties zijn sterk en niet het resultaat van een zorgvuldigafwegingsproces om een heel eenvoudige reden. Over elk nieuw feit moetje je zo snel mogelijk een oordeel vormen. Anders ben je namelijk nogaan het denken op het moment dat je geschept wordt door de auto diedaar aan komt rijden, hetgeen moeilijk rationeel te noemen is. We zijn dus ‘gemaakt’ om snel, dat wil zeggenonbewust en tamelijk grof, te oordelen. Daarom zullen we degedachtegang die we daarbij gevolgd hebben, net als de overtuigingendie we koesteren, inderdaad in ieder geval voor een deel af moetenleiden uit onze emotionele reacties. Maar dat maakt de betreffendegedachtegang niet minder logisch.

this is not america

De eerste keer dat je beseft waartoe een persoon, land of bedrijf in staat is, ben je geschokt, maar na een tijdje ken je je pappenheimers. Bij het lezen over de entering door Israel van het hulpkonvooi naar Gaza en bij het zien van de Zembla documentaire zondag over de praktijken van Shell in Nigeria gingen mijn wenkbrauwen dan ook niet verder omhoog dan toen ik voor het eerst hoorde van, ik noem maar wat hoor, de gevangenis op Guantanomo Bay of Wilders kopvoddentaks. Ik vroeg me wel af hoe lang ze met dat soort acties nog weg gaan komen, maar was niet verbijsterd. Wat me de afgelopen weken wel verbijsterde, was het antwoord dat hersenonderzoeker Victor Lamme gaf op de voor het item helemaal niet relevante vraag van Netwerk, wat hij zelf ging stemmen. Ik stem niet want ik ben tegen democratie. En in de Volkskrant van zaterdag las ik een artikel dat me nog heviger schokte. De verantwoordelijke ambtenaren en politici in Brussel zouden vanaf het begin hebben geweten dat we problemen zouden krijgen zoals we die nu hebben met de euro, maar daar bewust over hebben gezwegen. Men voorzag dat zoiets de invoering van een gemeenschappelijke munt zou blokkeren en achtte dat nog onwenselijker. Wat me schokte was echter niet dat deze mensen iets nalieten wat ze volgens mij hadden moeten doen, maar juist dat hun beslissing om niet te stemmen, respectievelijk niet open te zijn, min of meer logisch volgde uit overwegingen waar ik het in grote lijnen mee eens ben. Zij deden iets niet, wat ik wel zou doen, maar misschien niet zou moeten doen. En dat is schrikken voor iemand die zichzelf beschouwt als een onafhankelijk denker.

flits

Ik zag je zitten op het terras. Okay, misschien was het iemand anders. Maar het effect was hetzelfde. Zoals je naar me keek. Nu weet ik weer hoe je naar me keek en belang in me stelde.

van wie hou je als je van iemand houdt?

Ik vraag me niet af of we wel bij elkaar passen, wie hij is, wie ik ben. Van wie hou je als je van iemand houdt? Het lichaam van de ander is een lichaam dat je mag kussen. Het zien maakt dat je het wilt kussen. Je kust het. De ander voelt dat je hem liefhebt. Hij begint te glimmen. Jij begint te glimmen. Jullie zijn gelukkig.

Wat maakt het uit dat hij rechts stemt en jij links? Dat hij een goede baan heeft en jij niet? Dat hij nog steeds wel eens bang is om dingen verkeerd te doen? Dat komt echt nog wel goed. En dat hij een uur lang bezig kan zijn met het neerschieten van vijandige strijders op zijn computer? Het is een man. Een die blijft. Net als jij. Daar gaan jullie in ieder geval maar van uit.

Je wordt niet tot hem aangetrokken zoals je werd aangetrokken tot de jongen met de kattenogen. Als die naar je keek, voelde je je gezien. Maar al was je de eerste vrouw die niet zenuwachtig werd van zijn blik, en verlang je er ook nog steeds naar, je wist toen al dat hij naar iedereen zo kon kijken en verwacht van geen ander dat hij je hetzelfde gevoel geeft. Jullie zouden tien jaar later echter opnieuw voor elkaar vallen. Daarom stelde je je altijd maar een vraag als je wilde weten of je echt met iemand verder wilde. Wat zou ik doen als hij op een dag het enige zou zijn dat nog in de weg stond van een relatie met hem?

Maar inmiddels weet je dat. Terwijl je kijkt naar de woorden die je net getypt hebt, komt de man die blijft achter je staan. Hij geeft je een kus in je haar en met zijn sterke handen kneedt hij je schouders. Ik geef me gewonnen.

voor Iris

new york, tien jaar later

Ze kijkt om zich heen, iemand heeft haar naam geroepen, en ze verstijft. Andere voetgangers lopen tegen haar aan, maar ze kan niet meer van paar plaats komen en kijkt naar de man die op haar afkomt, alsof het de dood zelf is.

Werner houdt haar gezicht in zijn gehandschoeide handen, zijn capuchon nog steeds op. Moet ze ergens heen? Ze begrijpt zijn vraag maar half. Op dit moment kan ze zich niet voorstellen dat ze ooit ergens anders is geweest of zal zijn dan hier, oog in oog met hem.

Samen lopen ze naar het appartement van zijn vriend. Er komen allerlei vragen bij hem op. Hij merkt echter dat hij het antwoord erop eigenlijk helemaal niet wil weten en dan pakt hij haar hand, die hem vertrouwt, waarschijnlijk meer dan zijzelf.

In de lift met de spiegels die hun beeld weerkaatsen tot in het oneindige kijkt ze eindelijk terug. Ze beproeft hem. Hij laat haar begaan. Wat kan hij zeggen? ‘Het spijt me.’ Maar dat is niet wat ze wil horen. Daarop klinkt de bel van de lift, net als in de film, alleen dit keer denkt hij dat niet.

Nadat ze hun jas hebben uitgedaan, dirigeert Werner Vera kussend naar het grote, ronde bed in het midden van de ruimte. Gedachteloos strijkt ze met haar hand over de tulpzwarte lakens, terwijl hij zich uitkleedt. Vervolgens kleedt hij haar uit. Ze beweegt zich naar het midden van het bed. Terwijl ze elkaar aankijken, dringt hij haar binnen. Haar lichaam herkent hem met een schok, ze neuken. En om hen heen Manhattan.

Hij streelt het litteken waar haar linkerborst heeft gezeten, hij fluistert haar naam en neemt dan weer afstand. Ze ligt in het zwart van de lakens als een lijk. Bevroren.

Nadat ze hebben gedoucht, kleden ze zich weer aan. In de keuken neemt Vera een paar slokken van de cola die Werner voor haar heeft ingeschonken. Hij helpt haar in haar jas, ze hangt haar tas over haar schouder, hij doet de deur voor haar open en ze geven elkaar een laatste glimlach. Hij zal haar niet naar de lift brengen. Dat is niet nodig.

raising ada

Op internet circuleren al enige tijd berichten dat het inmiddels ontslagen onderzoekers van NASA gelukt zou zijn een robot te bouwen die zich net zo ontwikkelt als een mens. Het onderzoeksteam zou deze robot, Ada genoemd, slechts de vermogens hebben meegegeven van een pasgeborene, waarna ze in interactie met haar omgeving onder meer zou hebben leren lopen praten en uiteindelijk zelfs emotioneel en sociaal gedrag zou hebben laten zien. Twee weken geleden stonden er op verschillende websites nog documenten die verslagen leken te zijn van een dergelijk onderzoek. Een van de betrokken psychologen zou deze zelf op het internet hebben gezet omdat hij het er niet mee eens was dat een en ander nog langer geheim zou blijven.

Toen ik ze voor het schrijven van dit blog terug probeerde te vinden, leken ze evenwel verdwenen. Bij googlen op een zinsnede uit het enige abstract dat ik toevallig had gecopypaste, kreeg ik de ene bad request melding na de andere. Andere zoektermen leverden twee of drie documenten op die leken op de verslagen die ik eerder had doorgelezen, zij het dat ze veel minder spectaculair waren en om verschillende redenen niet echt konden zijn, naast ontelbare berichten dat alles een hoax was of juist dat er sprake was van een complot.

Zelf zou ik niet teleurgesteld zijn als een en ander een publiciteitsstunt zou blijken te zijn voor een nog te verschijnen boek. De vraag of Ada nu wel of niet echt bestaat houdt me namelijk minder bezig dan de vraag of ze zou kunnen bestaan. Want het idee is natuurlijk briljant! Uit mijn hoofd samengevat, het gedrag van mensen is niet veel complexer dan dat van dieren omdat wij onze handelingen beter zouden doordenken. Mensen en dieren reageren net als machines automatisch, dat wil zeggen dat ze gegeven hun neigingen en de situatie niet anders kunnen doen dan ze doen. Het verschil is alleen dat de reflexen van mensen zich ontwikkelen in een proces van trial and error, terwijl ze bij dieren voor het grootste deel zijn aangeboren, dan wel kort na de geboorte worden ‘ingebrand’. Je zou ook kunnen zeggen dat wij de patronen volgens welke we handelen zelf moeten maar ook kunnen ontdekken, omdat ze bij ons nog niet vastliggen. Dat nu verklaart het grote verschil tussen mens en dier. Doordat ons brein ons zoveel vrijheid geeft, en geneigd is overal patronen te zien, hoeven we ons niet te beperken tot de activiteiten die direct nodig zijn om te overleven. Maar als dat waar is, dan betekent dat ook dat een robot pas echt intelligent gedrag kan gaan vertonen als hij zoveel mogelijk dingen zelf heeft kunnen ontdekken.

Maar het mooiste komt nog! Ada zou als brein een neuraal netwerk hebben gekregen, waardoor patronen in de situatie patronen ofwel concepten activeerden bij haar, die weer door associaties in het verleden daarmee verbonden andere concepten activeerden, die uiteindelijk een bepaalde handelingsmogelijkheid activeerden, die als er geen andere handelingsmogelijkheid sterker geactiveerd werd of bleef, vanzelf werd uitgevoerd. Tot de krachtigste concepten van de mens behoren echter de semantische rollen, logische categorieen of hoe je ze ook maar noemen wilt als subject, handeling, kenmerk, doel. Mensen ontwikkelen deze verder dan dieren door het gebruik van taal. Volgens een van de artikelen die ik me herinner, mocht Ada dan ook niet alleen min of meer doen wat ze wilde, er werd ook met haar gecommuniceerd in het Engels zoals met een kind. Onderzoekers zouden dit trouwens vanzelf al hebben gedaan, maar dat terzijde. Het idee was dat ze zo bijvoorbeeld zou gaan zien dat anderen net zoals zij voor zichzelf subjecten waren die handelingen uitvoerden met een bepaald doel, terwijl ze door anderen gezien werden als objecten. Het idee was verder dat ze daardoor niet alleen iets van zelfbewustzijn zou ontwikkelen, maar ook sociaal en emotioneel gedrag zou gaan vertonen. En dat gebeurde dus ook! Als ze bijvoorbeeld van een onderzoeker met een voor haar kennelijk interessante activiteit had moeten stoppen, bleef ze typisch nog een tijd lang boos. Dat wil zeggen dat ze opdrachten van de betreffende onderzoeker minder snel uitvoerde dan voor haar normaal was, terwijl ze opdrachten van een andere onderzoeker juist sneller ging uitvoeren. Misschien is het allemaal niet waar, maar je ziet het voor je.

kwestie

mens of machine

Als we niet uitkijken, zijn we straks allemaal slaven van computers, waarschuwt Erik Puik in de Volkskrant van vorige week en hij beveelt dan ook aan technologische ontwikkelingen goed in de gaten te houden. Maar hoe gegrond is zijn angst? Het is nog zeer de vraag of het echt kan, maar stel dat we het voor elkaar krijgen machines te bouwen die(samen) slimmer en machtiger zijn dan de mensen. Hoe waarschijnljikis het dan dat die hun macht tegen ons gaan gebruiken?

Voordateen computer(netwerk) de macht over kan nemen zal het niet alleendoelgericht te werk moeten kunnen gaan, het zal die macht ook nogmoeten willen. Daarvoor is het niet alleen nodig dat het de conceptengewenst en ongewenst heeft, gevolgen van acties kan voorspellen eneigen doelen vast kan stellen. Het zal ook de beschikking moetenhebben over een enorme kennis van zowel de fysieke, als de socialewereld. Daarin zal het immers moeten ingrijpen. De grap is nu dat eendoor mensen ontwikkeld intelligent systeem zodanig afhankelijk is vande door die mensen verzamelde informatie, dat het ook de menselijkewaarden zal moeten overnemen. Die waarden zitten namelijk ingebakkenin onze kennis.Vergelijkhet met iemand die in het westen is opgegroeid en op een westersemanier is opgevoed. Zo iemand kan, tot hij in contact komt met anderedenkwijzen, alleen maar denken als een westerling. We zijn wat wegeleerd hebben. Dat geldt voor elk intelligent systeem, of het nu eenmens is of een machine.

Datcomputers slim en machtig worden is dus iets dat we beter kunnenhopen dan vrezen. Ga maar na. Niemand kan buiten zijn eigen kaderdenken, maar het kader van een intelligent systeem dat in principe beschikt overalle  kennis die we hebben is vele malen groter dan dat van welk mensdan ook. Zo’n systeem kan zonder de vooringenomenheid van ons mensen concurrerende theorieen met elkaarvergelijken en belangen van verschillende groepen afwegen. Met andere woorden, als we nu al de supercomputerhadden gehad waar Puik zo bang voor is, dan zou die de vloer hebben aangeveegd met de maatregelen die deze auteur terecht noemt als voorbeeld van een ongewenste ontwikkleling, zoals het elektronisch patientendossier.

Maarwat voor werk blijft er over voor mensen als computers en robots nietalleen de routineklussen overnemen, maar ook het denkwerk gaan doen?Die vraag is natuurlijk terecht. Laten we echter eerlijkzijn. Niet alle professionals zijn even goed. Je hebt altijd maar een paar sterren en minstens zoveel brokkenmakers. Als je daarmee bijvoorbeeld ongelukken en verspilling kunt voorkomen, wat is er dan nog op tegen om mensen te vervangen door machines? Dan kunnen wij ons gaan richten op het worden van goede ouders, vrienden en geliefden bijvoorbeeld. Uiteindelijk worden we daarvan pas echt gelukkig. Daarbij zal er altijd werk zijn dat even goed gedaan kan worden door mensen. Mensen met echt originele ideeen zullen deze bovendien vaker benut zien, aangezien het een computer niet uitmaakt waar een idee vandaan komt, als het maar bruikbaar is. En verder kunnen we ons altijd nog ontwikkelen en uitleven in games bijvoorbeeld buiten ons werk om.

anne (5) nadat haar moeder een zwart wollen draadje heeft opgezogen

Oh, mijn arme lieve kleine draadje. Helemaal alleen in die donkere stofzuiger! Mijn eigen, eigen, eigen, mooie, mooie, mooie draadje! Ik wil alleen maar mijn draadje. Mijn allerliefste lieveling! En ik heb gisteren ook al de VIlla gemist. En die verjaardag was ook helemaal niet leuk. Ik wou liever uitslapen. Ik wil nooit meer naar school en ook geen mamma meer. Ik hou pas op als ik mijn draadje terug heb, of als ik groot ben. En iemand die mijn draad opzuigt, wil ik nooit meer zien! Die moet de tuin in. En het is heel zielig voor mijn draadje. Want nou wordt ie geplaagd door al die stofjes! Dat heeft ie me wel ‘es verteld. Want zijn neef is er ook wel ‘es geweest. En nou zit ie tussen al die vreselijke stoffen. En ik weet dat hij bang is ook!

en de schilder, hij werkte in stilte

De trappen aflopend naar mijn brievenbus hoor ik wel een zacht zijig geluid, maar ik zie niemand. Pas als ik me omdraai met de post in mijn handen zie ik de schilder die de lift aan het lakken is. Dat verbaast me, een paar dagen geleden zei Lief nog dat hij het schilderwerk van de lift zo goed gedaan vond, dus zeg ik: ‘En we vonden het al zo netjes!’ De roze vijftiger kijkt nog eens naar zijn werk. ‘Ja, even de puntjes op de i zetten, he,’ verklaart hij. ‘Maar dank u wel!’ We glimlachen naar elkaar en ik ga weer naar boven. Daar krijg ik bij het openen van de tussendeur alweer het idee dat ik iets niet heb opgemerkt. Ik kijk om en zie in een hoekje een tweede schilder zitten. Liefdevol is de donkere jongen een moeilijk stukje achter een leiding aan het bijwerken. ‘En jij bent ook al zo precies bezig!’ breng ik uit. ‘Ik doe mijn best,’ zegt hij zonder zijn werk te onderbreken, laat staan me aan te kijken. Ik loop naar mijn eigen deur, me afvragend wat deze schilders zo anders maakt dan de timmerlieden en electriciens die de afgelopen weken ook bezig zijn geweest in het trappenhuis. Waarschijnlijk is het dat ze alleen werken. Niet tegen elkaar schreeuwen. En geen radio aan hebben staan.

verhaal

terwijl de vogels vlogen naar het westen

Toen hij zag dat zijn vriendin niet meer naast hem lag, was zijn eerste gedachte dat ze was opgestaan om in de andere kamer te gaan werken, de tweede om haar een kus te gaan geven. In de kamer zag hij haar echter niet meteen. Ze lag op de bank opgerold onder een dekentje te slapen. Hij moest denken aan de keren dat A. in de kamer was gaan slapen vanwege zijn gesnurk en voelde weer even de spijt dat hij haar niet had kunnen houden. Hij kromp ineen, want hoe lang was hij inmiddels niet met het meisje hier op zijn bank? Een dat zijn gesnurk verdroeg bovendien. Voorzichtig schoof hij het dekentje een eindje terug. Ze werd wakker. Met warrig haar en de behuilde ogen dichtknijpend tegen het ochtendlicht richtte ze zich op. Alles goed? Ze was verdrietig geworden. Waarom dan? Op het feestje van zijn vriend had hij nog eens gezegd dat hij het altijd jammer zou blijven vinden dat het niets geworden was met A. waarna hij afwezig een slok had genomen van zijn bier en nu, twee dagen later, had ze opeens begrepen waarom ze dat pijnlijk gevonden had. Hij droomde nog steeds van haar. Hij protesteerde. Hij dacht bijna nooit meer aan A., behalve nu net dan, maar dat was toeval. De ander glimlachte. Dat wist ze wel, maar A. bleef de vrouw met wie hij zijn leven had willen delen. Ze nam het hem niet kwalijk, ze begreep het wel, maar het maakte haar wel verdrietig. Hij keek haar aan. Schuldbewust. Ze wilde alleen maar gezien worden. Maar wat hij ook probeerde, hij zag haar niet.

kwestie

waarom empathie niet bestaat

Het is een van de vele ontroerende verhalen in Our Inner Ape van Frans de Waal. In een Engelse dierentuin ziet de bonobo Kuni een spreeuw tegen de glazen afscheiding aan vliegen. Ze gaat hem meteen troosten,waarna ze hem op allerlei manieren weer aan het vliegen probeert te krijgen. Ze gooit hem een paar keer een stukje omhoog en dan neemt ze hem mee een boom in om hem na zijn vleugels te hebben uitgevouwen, als een papieren vliegtuigje in de richting van de wand te werpen. De vogel is echter nog onvoldoende hersteld en belandt op de oever van de gracht waar Kuni vervolgens de wacht gaat zitten houden tot hij weer kan vliegen.

Volgens De Waal nu laat dit voorbeeld zien dat empathie niet voorbehouden is aan mensen, maar dat ook dieren zich in kunnen leven in andere wezens. De vraag is echter in hoeverre dat waar is. Want zeker is dat Kuni zich verplaatst in de spreeuw. Ze begrijpt dat de vogel wil wegvliegen. Daarbij is voldaan aan de andere voorwaarden waaraan voldaan moet zijn om te kunnen spreken van empathie. De spreeuw is een levend wezen en Kuni probeert haar te helpen zonder dat dit haarzelf iets oplevert. Maar wat zegt dat alles?

Mensapen zijn intelligente dieren die adequaat kunnen reageren op nieuwe situaties. Dat ze zich kunnen verplaatsen in mensen of andere dieren mag dan ook niet verwonderen. Je kunt immers alleen goed reageren op wat anderen doen als je begrijpt wat ze willen en daarvoor is het nodig dat je hun perspectief neemt. Doe je dat, dan zie je de ander niet meer als object, maar als subject. Eigenlijk ken je echter maar een subject, namelijk jezelf. Daarom voel je ook wat de ander meemaakt, als iets dat jouzelf overkomt. Natuurlijk weet je ook wel dat het niet echt jouzelf overkomt, dat is de reden waarom je het minder sterk voelt, maar intussen voel je het wel.

Om deze reden is het ook logisch dat mensen, en dieren dus, elkaar helpen. Door je te vereenzelvigen met de ander, wordt zijn belang ook jouw belang. Wat goed is om te doen voor die ander, wordt iets dat goed is om te doen. Punt. Daarom zul je in actie willen komen zodra je tot de conclusie gekomen bent dat je iets voor een ander kunt doen, opkomen voor iemand die wordt aangevallen bijvoorbeeld. Natuurlijk kun je dan alsnog besluiten niets te doen, maar dan moet je voor jezelf wel een goede reden hebben. Merk op, dat in deze redenering we elkaar niet helpen omdat we ons anders schuldig voelen, maar dat het eerder andersom is. In eerste instantie willen we doen voor anderen wat wij in hun plaats zouden willen dat we deden, en daarom geeft het ons een slecht gevoel als we dat niet doen.

Uiteraard willen we positief over onszelf blijven denken en zullen we daarom bepaalde dingen wel of juist niet doen. Maar ook dat is omdat we niet anders kunnen. We willen goede mensen zijn omdat we alleen kunnen wensen wat we op de een of andere manier als goed ervaren. Er is met andere woorden geen moraal. We kunnen dingen niet anders zien dan we doen.

verhaal

jongen met margriet

De postbode, denk ik, als er wordt aangebeld. Maar de jongen voor mijn deur, een lekker ding met in zijn hand een enkele margriet, lacht me alleen maar toe. ‘Ja?’ vraag ik. De jongen zegt echter nog steeds niets en dan herinner ik me dat er ooit een tamelijk flauw verhaal op mijn weblog heeft gestaan, over een lezer die me onaangekondigd op komt zoeken en ook niets zegt als ik opendoe, waarop ik de bloem van hem aanneem en hem gebaar binnen te komen. In het halletje nemen we elkaar op. Zijn ogen maken me niet verlegen en ik voel me blijer en blijer worden. De jongen uit mijn verhaal zou ik nooit meer zien. Maar dit is geen verhaal!

log

ouders

Ik zeg tegen mijn lief dat hij niet bang hoeft te zijn dat mijn vader hem niet aardig zal vinden. Mijn vader vindt eigenlijk iedereen wel okay. En opeens besef ik dat ik dat niet eerder zo duidelijk heb ingezien. Ik ben eraan gewend geraakt om, net als mijn vader dus, alles goed te vinden zowel van anderen als van mezelf. Net als mijn moeder (en Oprah) ga ik er nameljik van uit dat mensen alleen maar het verkeerde doen omdat ze niet anders kunnen. Toch ben ik niet opgegroeid in het besef dat anderen okay waren, laat staan ikzelf. Daarvoor was de boodschap van mijn moeder, dat je niemand vertrouwen kunt, te moeilijk te negeren, zeker toen ik nog klein was. Dat ik die conclusie niet van haar heb overgenomen leek me altijd te danken aan hard werk en geluk, ik ben geboren met een goed verstand en ben een paar bijzondere mensen tegengekomen, zoals de tien jaar jongere zwemleraar die wel wist te leven, de perzische vluchteling die wist te zwijgen, en niet te vergeten de vriend die me bij het afscheid nemen in mijn oor fluisterde: Leef zelfbewust! Nu denk ik echter dat ik onbewust moet hebben gevoeld dat er van me gehouden werd. Weliswaar drong het pas rond mijn zeventiende tot me door dat mijn vader van ons hield, dat hij daarom elke dag sinaasappelsap voor ons maakt en op zondag friet voor ons ging halen, en is het nog steeds iets dat ik niet echt voel, misschien was het toch zijn liefde die ervoor zorgde dat ik het vertrouwen in anderen nooit helemaal verloor.

log

schuldgevoel

Ik lig bij mijn nieuwe liefde in de hangmat terwijl hij boodschappen aan het doen is. Ik heb net een stukje gelezen en na daar wat over te hebben nagedacht wil ik eigenlijk wel weer slapen. Maar ik ben nog maar een uur op en het is al middag! Bijna wil ik naar binnen gaan om een glas cola te nemen en wat nuttigs te gaan doen, maar dan bedenk ik me dat ik dat alleen zou doen om me niet schuldig te voelen en dringt zich de vergelijking op met verslavingen. Wat zou het verschil zijn met emotie-eten of roken omdat je je zonder nicotine niet goed voelt? En zou het echt beter zijn voor je ziel of voor de samenleving om wat nuttigs te doen als je dat niet echt wilt? Ik besluit het zekere voor het onzekere te nemen, en blijf liggen.

log

echte seks

Ooit had ik met twee jongens een disucussie over harde porno. Zij gaven daaraan de voorkeur boven de sbs 6 variant omdat ze bij porno wel echte seks wilden zien, terwijl ik er nooit lang naar kon kijken omdat ik de seks juist zo onecht vond. Ik moest hieraan denken naar het zien van de film Caos Calmo, waar ik trouwens naar toe was gegaan omdat ik gelezen had dat het explliciete karakter ervan veel stof had doen opwaaien. Niet dat je in die film meer te zien krijgt dan je gewend bent. In tegendeel, er komt geen geslachtsdeel in beeld. Maar waarom dan die ophef? Omdat de scene zo lang duurt? Dat zou kunnen natuurlijk, maar ik denk dat het vooral de herkenbaarheid is die mensen schokt zoals ze een eeuw geleden geschokt werden door Le dejeuner sur l’herbe. De mensen in Caos Calmo hebben namelijk echte seks. En kennelijk is dat nog steeds schokkend. Al denk ik zelf dat de seks tussen de hoofdrolspelers in Monster’s Ball nog aangrijpender was. Dat was namelijk niet alleen echte seks, maar ook echte liefde.

log

de liefde en de tijd

Bij het afscheid leg ik mijn hand op zijn wang. Zijn ogen verbergen niets meer. ‘Misschien gaat dit wel te ver,’ zeg ik. Want daar hadden we het over, dat we niet te ver wilden gaan, hij heeft immers nog een vriendin. En nu jaren later, kijkt hij me weer aan en vraagt hij, hoe weet je het als iemand open is. Mijn theorie is namelijk dat het niet uitmaakt of iemand zus is of zo, als hij maar open is, en dat het dan ook niet moeilijk meer is om voor iemand te kiezen. Dat weet je, antwoord ik met een op verontwaardiging lijkende stelligheid. Maar hoe lang ga je daarop wachten? Dat wil mijn vriendin ook wel eens weten. Waarom blijf ik bij een man die me niet gek maakt van verlangen en met wie het ook nooit gepassioneerd geweest is? Ik weet niet wat ik daarop zeggen moet. Dat hij sinds een paar maanden in het voorbijgaan soms zijn hand over mijn rug laat gaan? Dat ik niet meer twijfel of die angst in zijn ogen op een dag verdwenen zal zijn? Ik mompel dus maar iets over de ontwikkeling die er in zit. En een dag later lig ik na het vrijen naar hem te kijken als zijn ogen opengaan en hij teruglacht. En al vraagt hij nog wel wat ik lach, zijn stem is van hem.

reconstructie

Je herinnert je wat tot je bewustzijn doordringt als een pijl in je hart. Zo herinner ik me dat ik op een dag op de grond in de huiskamer met Lego aan het spelen was, terwijl mijn vader in zijn rookstoel een boek zat te lezen. Mijn zusje opende de deur en kwam in haar ondergoed met haar beer onder haar arm naar mijn vader gerend. Ze klauterde bij hem op schoot, waarop mijn vader met een glimlach zijn boek weglegde. Mijn zusje vlijde zich tegen hem aan en begon op haar duim te zuigen, terwijl mijn vader haar over het hoofd aaide. Ik zag hem een kus in haar haar drukken en op dat moment begreep ik zonder er nog de woorden voor te hebben dat zoiets voor mij niet was weggelegd.

reconstructie

vader

Ik lig in de geur van het gras en een zacht geruis streelt mijn wangen. Mijn ogen glijden over de rug van de kat tot het gezicht van mijn vader mijn blikveld binnenschuift. Hij kijkt me aan met zijn helderblauwe ogen en grijnst, een stel rottende tanden ontblotend. Ik neem zijn gezicht in me op en geef hem na een tijdje mijn stralende zuigelingenlach in ruil. Er verandert een detail in zijn blik. Hij mompelt iets. Mijn lichaam is als een klankkast voor zijn woorden. ‘Ah, ‘t is zonde…’

she’s lost control again

Zonder het te willen had ik me al verhard. Het was nog niet zo erg als in de tijd dat ik nog elk moment vreesde te worden ontmaskerd, maar het was ook niet veel beter. Ik was gewend binnen de kortste keren genegenheid voor mensen op te vatten, maar wat ik mezelf ook voorhield, niemand leek me nog te kunnen raken. Niet zo vreemd misschien. Ik had nooit op iemand gerekend, behalve op Morris. En toen ontmoette ik D. die me weerloos maakte, de eerste nacht al, met zijn blik, open en bang. En door wie ik me nu schuldig voel als ik in de kroeg een geanimeerd gesprek heb met een andere man. Omdat ik alleen maar kan denken aan hem. Een mens heeft weinig te zeggen over zichzelf.

sprookje

z.t.

De man en de vrouw zijn net wakker geworden. De vrouw legt haar hand in de hals van de man. ‘Zullen we van elkaar gaan houden?’ vraagt ze. Hij kijkt haar aan. Het is de tweede keer dat ze elkaar zien. ‘Zo simpel kan het toch niet zijn?’ De vrouw wacht even. ‘Volgens mij is het zo simpel.’ In de man zwelt iets aan. ‘Okay.’ En ze zoenen. Bijna te gronde gaand.

blog

protect me from what i want

Ik schrik van zijn ogen. Alsof ik sinds de laatste keer dat we elkaar zagen, iets heb gedaan waardoor ik zelfs geen aanspraak meer kan maken op beleefdheid. Ik mag binnenkomen, als ik het maar niet te lang maak. Wat doe je afstandelijk. Anders geraak ik daar niet vanaf. Zijn Vlaamse tongval. Misschien hoeft dat ook niet, probeer ik zachtjes. Inmiddels zeggen zijn ogen weer iets anders. Help me. Ik zou wel willen. Hij heeft erover nagedacht, maar het voelde gewoon niet goed. Ik leg mijn hand op zijn borst. Dat kan ook angst zijn, hè. Hij buigt zijn hoofd. Hij zal mijn brief lezen, zegt hij. Iets anders kan hij niet zeggen. Als we elkaar nu aankijken, voel ik alleen maar liefde. Kan hij me nog een keer omhelzen? Maar dat kan hij niet. Natuurlijk, denk ik, hij heeft zijn harnas aan, mijn ridder. Meestal heb ik het wel door, verduidelijk ik, als iemand alleen maar geinteresseerd is in mijn lichaam. En ik ga weg. Liefs!

Op de fiets voel ik me nog goed, maar als ik later op de radio Vlaams hoor praten voel ik een steek. Alsof we jarenlang samen geweest zijn, en niet maar twee nachten. Wat is dit?!

kwestie

de nieuwe hoffelijkheid

Grappig is dat, hoe gedrag waar de meeste mensen zich aan ergeren in vrij korte tijd algemeen aanvaard kan worden. Plotseling zie je dan niet meer alleen de middelbare scholieren door het winkelcentrum fietsen, maar ook de oudere man in zijn zandkleurige zomerjack en de huisvrouw die voor de kinderen thuiskomen nog snel even naar de supermarkt wil. Het doet er niet toe dat het al zo druk is dat gewoon doorfietsen niet meer mogelijk is, laat staan dat het ontspannen zou zijn. Afstappen is inmiddels zoiets geworden als niet meedoen met de pestkoppen op school.

Ouders die het gedrag overnemen van hun kinderen, senioren die regels naast zich neer gaan leggen. Is dat niet de omgekeerde wereld? Eeuwenlang heeft de elite om zich te onderscheiden van het gewone volk de omgangsregels immers alleen maar verfijnd. Norbert Elias heeft dit proces uitgebreid beschreven. Zo werd het allengs minder geaccepteerd maar te zeggen en te doen wat er in je opkwam, ook in andere kringen. Men sloeg er steeds minder snel op los en leerde eten met gesloten mond. Men leerde zich schamen, kun je ook zeggen.

Maar honderd jaar na Freud is het onderdrukken van je gevoelens geen onder alle omstandigheden na te streven ideaal meer. En in theorie doet zelfs je afkomst er niet meer toe. In alle lagen van de bevolking zijn er operaliefhebbers en fans van Marco Borsato. Dit is een groot verschil met vroeger toen allen, de heren en de knechten, de mevrouwen en de meiden, zich te gedragen hadden zoals er van hen verwacht werd. We gedragen ons daarom meestal nog wel zoals het hoort. Maar niet meer omdat het zo hoort. Je laten leiden door regels waarvan het nut je ontgaat, is iets geworden voor de brave burger, kortom iets om je voor te schamen – dat vindt zelfs die brave burger.

We hoeven daar echter niet rouwig om te zijn. Immers, als iedereen alleen nog maar doet waar hij zin in heeft, wordt het vanzelf cool om rekening te houden met anderen. Ik voorspel dan ook dat de echt hippe mensen binnenkort wanneer ze ergens niet mogen fietsen, als er ook maar een voetganger last van hen zou kunnen hebben, zullen afstappen om lopend hun weg te vervolgen. Sommige van de mensen die dat gedrag van hen over zullen nemen, zullen dat doen omdat ze zich zo denken te onderscheiden van de rest van de mensen. Het zal echter ook iets zieligs krijgen om je op een dergelijke manier te willen onderscheiden van anderen. Want dat is het echte goede nieuws. Uiteindelijk zal het weer heel gewoon worden dat mensen bijvoorbeeld hun zitplaats afstaan aan een zwangere vrouw en aardig blijven als ze wat langer moeten wachten, niet omdat hun dat zo geleerd is, maar omdat ze daarvoor kiezen. Merk op, dat dit eerder niet het geval was. Voorheen werd asociaal gedrag immers meteen afgestraft. De oude hoffelijkheid kon met andere woorden gespeeld zijn, de nieuwe niet.

Begrijpt u mij niet verkeerd, ik zeg niet dat de asociale types zullen ophouden te bestaan. Er zullen altijd mensen blijven zoals mijn bovenbuurjongen, die terwijl ik dit schrijf, zoals bijna elke dag rond dit uur, keihard muziek op heeft staan en nu bijvoorbeeld meezingt met Vijftien miljoen mensen, die laat je in hun waarde! Toch denk ik dat het horkerige dat je nu zo veel ziet een fase zal blijken te zijn en dat mensen uiteindelijk weer socialer zullen worden. Ik kan me voorstellen dat u mijn optimisme ongegrond vindt. Maar ik zie het nog wel gebeuren dat jongeren hangen bij de friettent hier om de hoek, hun blikje weggooien en het als het dan naast de afvalbak terecht komt er alsnog in gaan doen. Zonder er zelfs maar over na te denken.

log

taaie gevoelens

Wellicht zou ik meer mededogen moeten hebben met mijn exen. Want mijzelf zou het verontrusten als iemand van wie ik altijd gehouden had me opeens niets meer zou doen, maar voor hen geldt misschien wel het omgekeerde. Zo krijg ik het straks waarschijnlijk te kwaad als ik T. voor het eerst zie met zijn kind op de arm. Niet omdat het ook ons kind had kunnen zijn, maar omdat het me ontroert. Sterker dan wanneer ik een andere vriend zie met zijn kind, ook al zijn we inmiddels nauwelijks meer dan kennissen. Net zo als het me gelukkig maakt hem opgetogen te zien omdat hij kampioen is geworden met tennis, al heb ik zelf niks met welke sport dan ook. Kennelijk ben ik nog steeds bij hem betrokken, want ik wens hem het beste, meer dan de mensen die ik nooit op die manier heb liefgehad. Maar ja, ik hoef me daar niet schuldig over te voelen. Ik heb geen jaloerse partner en word ook niet geplaagd door mannelijke hormonen.

kwestie

liefde of trouw?

Mocht u het nog niet weten, scheiden is uit. Nou ja, onder hoogopgeleiden dan. Tegelijkertijd zijn mensen iets makkelijker gaan denken over overspel. Hebben jongeren wat de liefde betreft nog wel romantische ideeën, wie wat ouder is, heeft inmiddels wel ervaren of gezien dat vreemdgaan niet meteen het einde hoeft te betekenen voor je relatie. Een en ander bleek vorig jaar al uit een onderzoek van het bureau Motivaction in opdracht van HP/De tijd. Ik zie de mensen om me heen op dit punt toleranter worden. Er ligt sinds kort zelfs een boek in de winkel over het hebben van meer dan een liefdesrelatie, ofwel polyamorie – al zou er voor degene die dat woord bedacht heeft een passende straf moeten worden gevonden.

Sinds een jaar verschijnen er in bladen als Psychologie Magazine echter ook regelmatig artikelen over emotionele ontrouw. De boodschap van deze artikelen is duidelijk. Het is niet okay om intiem te zijn met anderen dan je partner, zelfs niet als je met die derde geen seks hebt. Ook als je elkaar wel eens aanraakt op een niet-seksuele manier, zou je bij jezelf moeten nagaan of dat wel klopt. De redenering bij dat alles is dat je wat je geeft aan de een, niet meer kunt geven aan de ander. Maar dat hoeft natuurlijk niet altijd zo te zijn. Als je een goede relatie hebt, doet een goede vriendschap daarnaast daaraan geen afbreuk. Bovendien zijn er misschien dingen die je tegen je partner niet kunt zeggen, betekent dat dat je daar dan ook niet over mag praten met anderen?

Het is als zo vaak, of iets goed is om te doen of niet, hangt van heel veel dingen af. Ofwel simpele regels zijn er niet te geven. In vroeger tijden en eenvoudiger samenlevingen was het waarschijnlijk anders, maar het gaat ons steeds minder om het plaatje. Wat we willen is echte liefde. Misschien heeft onze partner met niemand anders een seksuele of diepe emotionele band, maar dat vinden we eigenlijk al lang niet meer voldoende. En andersom zal het ons steeds minder gaan uitmaken wat onze partner heeft met anderen, als wat hij of zij heeft met ons maar goed is. Of vrij naar een mij onbekende BN-er in de Viva van deze week: eeuwige trouw kun je niet beloven, eeuwige liefde wel.

log

Verdringen doe je zo

Als ik in de Albert Heijn een jongen zie met een beetje droevige blik, krijg ik van mijn brein meteen het signaal stop! Een fractie van een seconde later begrijp ik ook waarom. Hij lijkt op Morris. Kennelijk wordt er in mijn hoofd op de rem getrapt als iets me herinnert aan mijn gewezen vriend nog voor die gedachte zelfs maar bewust is geworden.

Ik heb mezelf daar natuurlijk ook in getraind. Ik kap gedachten die naar Morris voeren, bijvoorbeeld tijdens het kijken naar Friends, meteen af. En als ze even later terug komen, weer. En ze komen terug. Zelfs op momenten dat er inde situatie niets is dat er op enige wijze mee verbonden is, komt de gedachte aan hem naar boven. Logisch, er is immers iets dat niet past in mijn theorie van de wereld. De enige van wie ik ooit geloofde dat hij me niet in de steek zou laten, ook niet als hij een ander vriendinnetje zou krijgen, omdat we net zo’n relatie hadden als de vrouw en haar homo-vriendje in de serie Will and Grace, deed dat toch. Volgens de psycholoog Nico Frijda vraagt dat soort discrepanties om aandacht en ontstaan zo emoties. Die vertellen je, als je ze niet volledig onderdrukt tenminste, dat je iets moet ondernemen om wat er is en wat je wil weer in overeenstemming te brengen.

Dat kan uiteraard op twee manieren. Ik kan proberen de werkelijkheid aan te passen aan mijn wensen, maar als dat niet lukt, zal ik daarmee moeten ‘dealen’. Hoe ik dat doe, heeft trouwens wel gevolgen voor hoe ik in de toekomst zal reageren. Daarom is mijn verklaring voor de huidige situatie denk ik wel van belang. Ga ik er voortaan vanuit dat werkelijk niemand te vertrouwen is of blijf ik desnoods geloven tegen beter weten in? Ofwel, gebruik ik mijn verstand of sta ik mezelf toe verbitterd te raken? Dat je je gevoelens niet steeds weer in alle hevigheid laat opkomen, betekent immers niet dat je de werkelijkheid aan het ontkennen bent. Ik zou haast zeggen, integendeel.

log

Gemengde signalen

Eigenlijk zijn er altijd tekenen. De keren dat Morris me bezwoer dat we vrienden zouden blijven, ook als hij iemand anders had leren kennen, komen in mijn herinnering samen in een beeld. Ik heb het kennelijk gehad over mensen die uit mijn leven zijn verdwenen en dan zegt hij: ‘Ik ga nergens heen, hoor!’ Waarna hij opstaat en naar de keuken loopt om een glas water te nemen of wat dan ook, met in zijn ogen iets van paniek, alsof hij toen al vreesde dat hij zijn belofte, die in overeenstemming was met wat hij op dat moment voelde, zou gaan breken.

Die blik moet me verontrust hebben, anders had ik hem niet onthouden. Maar waarom heb ik dat gevoel op dat moment dan niet meer aandacht gegeven? Ik wilde natuurlijk niet weten dat hij me in de steek zou laten, maar dat kan niet de hele verklaring zijn. T. had me ooit en misschien nog wel oprechter hetzelfde beloofd, maar van hem wist ik dat hij geen woord zou kunnen houden. T. was nu eenmaal een slechte vriend. Als hij eens voelde wat iemand voor hem betekende, was hij verbaasd. Ontroerd, maar verbaasd. Maar dat Morris zijn gevoelens net zo zou kunnen ontkennen, had ik dus niet gedacht. Zelfs toen ik erachter kwam dat hij geheel overbodig had gelogen dat hij niet meer dan een lichte voorkeur had voor blond, leidde ik daar niet uit af dat zijn angst de ander te verliezen groter was dan zijn liefde voor de waarheid, zozeer was ik gewend dat we zeiden wat we dachten. Hij had nadat hij met mij gebroken had ook herhaaldelijk toegegeven dat zijn gevoelens hem verwarden, hetgeen ik zag als een teken van grootsheid, ook al durfde hij op geen moment in die verschrikkelijke negen maanden te beloven dat ik hem ooit weer zou zien.

Zelf zou ik nooit iemand de vriendschap opzeggen zo lang ik het nog fijn vond te weten dat de ander af en toe nog aan me dacht en de herinnering aan betere tijden een glimlach op mijn gezicht bracht, zoals Morris in zijn laatste mailtjes moest toegeven. Ik zou het gevoel dat ik moest breken aan een uitgebreid onderzoek hebben onderworpen tot ik wist wat ik moest doen en ook uit kon leggen waarom. Maar mensen verschillen nu eenmaal. Het is moeilijk dat niet uit het oog te verliezen, omdat het in het dagelijks leven het handigst is om ervan uit te gaan dat de ander niet heel anders in elkaar zit dan jij. Vandaar dat ik de angst van anderen blijf onderschatten. Dat lijkt mij althans de meest logische verklaring. Omdat we tot op het laatst gelukkig waren geweest als geliefden en elkaar daarna nauwelijks meer gezien hadden, bleef Morris op mij reageren als voorheen. Dat hij daarmee niet kon omgaan, had ik kunnen weten. Hij was altijd al banger dan ik dat hij onbetrouwbaar zou blijken te zijn. Waardoor hij dat ook was.

log

ik ontken niks!

Nadat Morris en ik elkaar voor het eerst weer hebben gezien in bijna een jaar wil hij wegrijden zonder fatsoenlijk afscheid te hebben genomen. Ik roep hem terug en dan omhelst hij me alsnog. Ik voel dat hij nog van me houdt door de manier waarop hij dat doet en zeg hem vrolijk gedag, niet wetend dat het voorlopig de laatste keer zal zijn. Het jaar daarop zullen we elkaar nog wel eens zien en zo nu en dan is er nog de oude magie, maar zijn omhelzingen zijn ongemakkelijk. Tot een paar maanden geleden.

We hebben een paar uur zitten praten in zijn zonnige woonkamer. Ik heb eerlijk toegegeven dat ik niet zeker weet of ik T. af zou kunnen houden als hij het opnieuw met mij zou proberen aan te leggen. De eerste paar keer zou ik hem nog wel kunnen weerstaan, maar daarna? Ik ben er namelijk niet zo zeker van dat hij met zijn huidige vriendin echt beter af is en ik weet dan nog niet dat er een kind op komst is. Het is natuurlijk stom om een en ander te zeggen tegen Morris, maar ik ben nu eenmaal gewend hem alles te zeggen en andersom geldt hetzelfde. Zo verklaart hij uit zichzelf dat hij het best moeilijk vindt, het samenwonen. En als ik daarop toegeeflijk zeg dat hij met L. toch beter af is dan met mij, ik ben immers wel erg veel ouder, repliceert hij: ‘Dat weet je niet!’ Ik kijk hem aan maar laat het onderwerp verder rusten. En dan moet ik toch echt weg. Ik verwacht de inmiddels bekende ongemakkelijke omhelzing. Hij drukt me echter tegen zich aan zoals vroeger. Kennelijk is hij niet bang meer dat hij nog seks met me zou willen. Eindelijk, denk ik.

Maar ik heb me vergist. De maanden daarna is hij op msn niet erg toeschietelijk en de dag nadat ik heb voorgesteld nog eens wat af te spreken, komt de aap uit de mouw. In een mailtje laat hij me weten dat hij me niet meer wil zien. Waarom, kan hij niet goed uitleggen. Maar het is niet omdat hij wat er nog over is van zijn gevoelens voor mij niet zou kunnen rijmen met zijn liefde voor L. Hoe kom ik erbij! Tja. Misschien heeft het ermee te maken dat ik zulke sterke staaltjes van verdringing al vaker ben tegengekomen.

kwestie

de nieuwe lezer

De laatste decennia zijn er nieuwe manieren van vertellen opgekomen, denk aan de film en het internet, en daarmee nieuwe manieren van lezen. Wilden mensen vroeger niet meer dan simpelweg opgaan in een verhaal, inmiddels zijn ze meer en meer doordrongen van het idee dat de werkelijkheid meervoudig is en het individu mogelijk niet meer dan een illusie, waardoor je nooit het hele verhaal kunt kennen. Mogelijk is het voor de nieuwe generatie iets makkelijker van dit alles de humor in te zien. Dat wil niet zeggen dat de rest van ons bij zijn oude ideeen is gebleven! De kennis van het individu in deze informatiemaatschappij is hoe dan ook gegroeid, ook de voor de literatuur belangrijke psychologische kennis. De nieuwe lezer, of die nu jong is of oud, is daardoor allergisch geworden voor uitleg en slaat uitweidingen over – tenzij deze komisch zijn of een aardig idee bevatten. Romans die het moeten hebben van hun plot zullen hem trouwens ook snel vervelen. Hij heeft alles immers al zo vaak gezien. De boeken die hem doen opademen zijn die van de nieuwe vertellers, mozaiekboeken en boeken waarin fictie en werkelijkheid door elkaar heen lopen. Voorbeelden zijn de bestseller van David Mitchell, Wolkenatlas, waarin zes verhalen die schijnbaar weinig met elkaar te maken hebben toch een geheel blijken te vormen en Extreem luid en ongelofelijk dichtbij van Jonathan Safran Foer met zijn foto’s, het duizelingwekkende debuut van Dave Eggers, het laatste boek van Bret Easton Ellis. Voorbeelden van Nederlandse romans zijn moeilijker te geven. Te binnen schieten me het laatste boek van Atte Jongstra, samengesteld uit de teksten van een verzonnen historisch figuur, en de romans van Connie Palmen. Maar het genre van de mystificatie is al zo oud als de roman zelf, en voor Palmen is de problematische relatie tussen fictie en werkelijkheid een thema, terwijl het voor de nieuwe lezer eerder een gegeven is, iets om mee te spelen. De vraag is hoe een en ander is te verklaren. Zijn er onder de Nederlandse schrijvers geen nieuwe vertellers? Of zijn ze gewoon nog niet boven komen drijven? Wie het weet, mag het zeggen.

sprookje

ik weet niet

Ze zoekt tussen de paaseitjes naar de laatste witte. Als ze er een gevonden heeft, licht haar gezicht op. Ze begint het papiertje er af te peuteren en dan vliegt haar blik naar haar geliefde op de bank. Hij heeft naar haar zitten kijken. Zo kijkt hij ook naar anderen, weet ze. Naar zijn vrienden, maar ook naar kinderen, bejaarden, het moslimmeisje in de tram. Die gedachte vertedert haar echter niet. Zelf is ze immers niet anders. En dan valt het haar in. Dit, misschien wel het belangrijkste dat er aan hen te snappen is, snappen ze van elkaar. In een tel is ze bij hem. Hij doet zijn handen opzij, ze grijpt ze terwijl ze over zijn schoot schuift, ze lachen en geven elkaar een kus.

Ze houdt op met voorlezen. ‘Ik weet nog niet hoe het verder gaat,’ murmelt ze. ‘Misschien laat hij onbewust iets tussen hen komen.’ De ander fronst zijn wenkbrouwen waardoor de groef in diens voorhoofd nog dieper wordt. ‘Waarom zou hij dat doen?’ vraagt hij. Afwezig schudt ze haar hoofd. ‘Ik weet niet.’

log

ogen

Deze maand was hij jarig. De jongen die dacht dat alle mannen verkrachters waren. Ik zie steeds weer voor me hoe hij me aankijkt met de blik van een pasgeborene. Vol vertrouwen. Ik kan niet anders dan van hem houden, helemaal als hij me dan ook nog vraagt: Ga je heel veel van me houden? Volgens hem speelde ik op dat moment echter toneel. Hij gelooft dat niet echt, zoals hij me ook niet echt haat. Als iemand je echt haat, zie je dat in zijn ogen. Maar voor zichzelf is hij ervan overtuigd. Ik hou helemaal niet van hem. Ik wil hem alleen maar kapot maken. Waarom ik dat zou willen? Nu speel ik volgens hem echt toneel. Zo zijn mensen!

log

servetje

De winkels zijn al wel open, maar de enkeling die me passeert is duidelijk op weg naar zijn werk of heeft in ieder geval haast. Ook de eindtwintiger die me mijn hoofd laat draaien heeft er flink de pas in. Leuke jongen, denk ik. Hip, maar niet H&M hip, hoewel hij ook in die winkel nog wel eens iets koopt. En hij lijkt me vriendelijk. Natuurlijk, hij is tien jaar jonger en ik heb me een paar dagen geleden nog voorgenomen nu eindelijk eens iemand van mijn eigen leeftijd te gaan zoeken, maar ik ga hem toch niet aanspreken. Ik vind het ook geen punt dat hij al lopend eet van een op het station gekocht broodje. Lopend eten is niet cool. Maar wat zou hem dat kunnen schelen, hij had gewoon nog niet ontbeten. Bovendien is hij al aan de late kant. En dan verliest hij zijn servetje. Het witte ding zeilt weg om iets verderop neer te komen op de grond. Damn! Nu is het natuurlijk vies. Hij aarzelt nog even. Dan raapt hij het servetje op en loopt hij door.

kwestie

de dingen willen iets

It figures! denk ik als ik in een mailtje van mijn nieuwe love interest lees dat hij iets aan het krijgen is met een vrouw die hij heeft leren kennen kort voor hij mij ontmoette. Waar dat Engels vandaan komt, weet ik ook niet. Maar ironisch is het zeker. Kom ik een keer iemand tegen die niet tien jaar jonger is, ben ik net drie weken te laat. En als de blouse die ik aan wil doen naar een zakelijke bespreking na een kwartier zoeken toch gewoon in de kast blijkt te hangen, prevel ik ‘Dank u, god!’ Terwijl men de pogingen me in god te doen geloven na mijn vijfde toch heeft opgegeven. Hm.

Ik hou het er maar op dat er in ieder geval een neiging is om iemand dankbaar te zijn voor de dingen die meevallen en verhaal te gaan halen als iets tegenzit. Dat is ook helemaal niet zo raar. De Nederlandse pyscholoog Nico Frijda heeft zelfs aannemelijk gemaakt dat ik alleen door mezelf centraal te stellen kan overleven. Zodra er iets gebeurt dat raakt aan een van mijn belangen, moet ik daar namelijk op in kunnen springen. Als er een psychopaat met een bijl op mij af komt, kan ik me maar beter uit de voeten maken. En als er een leuke jongen naar mij lacht, ook. Ben ik niet voortdurend alert op kansen en gevaren, dan wordt mijn leven een stuk minder aangenaam. Dat ik gebeurtenissen die niet neutraal voor mij zijn geneigd ben te zien als bedoeld, is volgens mij ook nog wel te verklaren. Meestal krijg of bereik je wat je wilt, die goede baan bijvoorbeeld, niet vanzelf. Je moet je ervoor inspannen en niet zelden ben je ook nog eens afhankelijk van de medewerking van anderen. En als iemand iets doet dat voor jou niet leuk is, je belachelijk maakt bijvoorbeeld, is het logisch dat je kwaad op hem wordt en genoegdoening eist. Is het dan gek als andersoortige nare ervaringen mij ook kwaad maken?

Uiteraard blijft het onnozel om te denken dat er een god is die zich specifiek zou bezighouden met mij. Niet alleen zijn de mensen die in mijn leven slechts een klein rolletje hebben, de hoofdpersoon in hun eigen leven. Maar wat er gebeurt in het leven van de een, heeft natuurlijk ook gevolgen voor de ander. Ik denk nu weer aan mijn love interest. Zou er tussen hem en mij toch iets ontstaan, dan zou ik dat misschien nog wel leuk vinden, maar die andere vrouw waarschijnlijk niet.Ofwel, de duivel zou het niet iedereen naar de zin kunnen maken!

Het lijkt me trouwens meer een kwestie van persoonlijkheid dan van geloof, hoe men met tegenslagen omgaat. De een zal zijn leven lang blijven klagen, of hij nu gelovig is of niet, terwijl de ander ervoor kiest om, ik noem maar iets, voorlichting te gaan geven op scholen. Op het internet zijn altijd wel lotgenoten te vinden, aan wie men soms veel steun heeft. En dan is er nog het type dat we zien bij Oprah Winfrey dat onder het motto dat alles een bedoeling heeft in de grootste ramp nog iets van zin probeert te ontdekken, hetgeen je als kijker soms een ongemakkelijk gevoel geeft, bijvoorbeeld als het gaat om iemand die als kind jarenlang misbruikt is. Wat al deze strategieën gemeen hebben, is dat ze voortkomen uit de overtuiging dat het gebeurde niet had hoeven of mogen gebeuren. Maar dat is natuurlijk geredeneerd vanuit degene aan wie het gebeurd is!

Zelf zie ik meer in de alternatieve redenering. Bad things happen to good people. Als ik gelovig was zou ik het misschien anders zeggen, ik zou het beeld kunnen gebruiken van gods wegen die ondoorgrondelijk zijn en zelden aangenaam, maar ik zou hetzelfde bedoelen. Overigens kan een mens deze dingen wel willen aannemen, de neiging om zichzelf te zien als degene om wie het allemaal draait, is daarmee nog niet verdwenen.

De dingen willen iets. Je kunt jezelf niet als het middelpunt zien als je dat tot je door laten dringen. Zo voel ik nog steeds een steek als ik me voorstel hoe mijn ex in de auto het haar streelt van zijn nieuwe vriendin, zoals hij dat vroeger deed bij mij. Tegelijk zie ik echter hoe gelukkig ze hem maakt, waardoor ik wat hij heeft met haar zien kan als iets dat goed is. Niet dat wat hij had met mij niet goed was. Het mocht alleen niet zo zijn. Of liever, het kon zo niet blijven. Immers, niet alleen de dingen willen iets, de andere dingen willen dat ook!

Mogelijk heeft u de gevolgtrekking al gemaakt. Men kan het beste maar zijn lot omarmen. En dat wil ik ook wel. Ik wil doen wat hoort. Maar ik moet ook steeds denken aan wat diezelfde ex eens zei over een meisje voor wie hij erg zijn best deed, hoewel ze al een vriend had. Het kan altijd uitgaan!

Een dergelijke lichtzinnige houding lijkt me ook wel goed. Gewoon verder gaan, laat ik dat maar doen. Zingend. It’s like rai-ai-ain! On your wedding day! Zingt u mee? Like a free ride! That you’ve already paid for!

fragment

Dave Eggers, A Heartbreaking Work of Staggering Genius

I can afford to give you everything. We gasp at the wretches on afternoon shows who reveal their hideous secrets in front of millions of similarly wretched viewers, and yet.. what have we taken from them, what have they given us? Nothing. We know that Janine had sex with her daughter’s boyfriend, but… then what? We will die and we will have protected… what? Protected from all the world that, what, we do this or that, that our arms have made these movements and our mouths these sounds? Please. We feel that to reveal embarrassming or private things, like, say masturbatory habits (for me, about one a day, usually in the shower), we have given someone something, that, like a primitive person fearing that a photographer will steal his soul., we identify our secrets, our pasts and their blotches, with our identity, that revealing our habits or losses or deeds somehow makes one less of oneself. But it’s just the opposite, more is more is more – more bleeding, more giving. These things, details, stories, whatever, are like the skin shed by snakes, who leave theirs for anyone to see. What does he care where it is, who sees it, this snake, and his skin? He leaves it where he molts. Hours, days or months later, we come across a snake’s long-shed skin and we know something of the snake, we know that it’s of this approximate girth and that approximate length, but we know very little else. Do we know where the snake is now? What tehe snake is thinking now? No. Bij now the snake could be wearing fur; the snake could be selling pencils in Hanoi. The skin is no longer his, he wore it becaues it grew from him, but then it dried and slipped off and he and everyone could look at it. And you’re the snake? Sure. I’m the snake. So, should the snake bring it with him, this skin, should he tuck it under his arm? Should he? No? No, of course not! He ‘s got no fucking arms! How the fuck would a snake carry a skin? Please. But llike the snake, I have no arms – metaphorically speaking – to carry these thing with. Besides, these things aren’te even mine. None of this is mine. My father is not mine – not in that way. His death and what he’s done are not mine. Nor are my upbringeing nor my town nor its tragedies. How can these things be mine? Holding me responsible for keeping hidden this information is ridiculous. I was born into a town and a family and the town and the family happend to me. I own none of it. It is everyones’. It is shareware. I like it, I love having been a part of it, I would kill or die tot protect those who are part of it, but I do not claim exclusivity. Have it. Take it from me. Do with it what you will. Make it useful. This is like making electricity from dirt; it is almost too good to be believe, that we can make beauty from this stuff. But what about prviacy? Cheap, overabundant, easily gotten, lost, regained, bought, sold.

moment

Het hoogtepunt van de dag is niet als ik lees dat ik een prijs heb gewonnen in de verhalenwedstrijd van De brakke hond, maar een paar uur later, wanneer ik het nieuws vertel aan mijn vader. Hij kijkt me niet aan maar begint te stralen. ‘Oh, wat vind ik DAT mooi!’ En alsof hij me in de verte de Nobelprijs al uitgereikt ziet krijgen zegt hij nog eens. ‘Oh, wat vind ik DAT mooi!’ Ontroerend. Als een van zijn gedichten een prijs had gekregen had hij niet gelukkiger kunnen kijken.

 

analyse

De nieuwe lezer

Mensen lezen niet meer, is ook het idee van uitgevers. Vandaar dat ze zich richten op oudere vrouwen en zappende jongeren. Alsof er niet al lang een nieuwe lezer is opgestaan!

Toegegeven, de nieuwe lezer is niet zo eenvoudig te herkennen. Het is namelijk geen lezer, maar een kijker. Ik bedoel daarmee dat hij (zij) gewend is informatie te halen uit beelden. Niet alleen kijkt hij naar het journaal, hij ziet ook veel speelfilms en documentaires. Misschien neemt hij zelfs wel eens een graphic novel ter hand. Daarbij maakt hij graag gebruik van de mogelijkheden die het internet hem biedt om in discussie te gaan met anderen of zelf dingen te publiceren. Verhalen worden door hem dus niet slechts passief geconsumeerd. Overigens is omgekeerd het woord bijvoorbeeld ook doorgedrongen tot de beeldende kunst. Neem de neonreclames van Tracey Emin met teksten als ‘You forgot to kiss my soul’. Samenvattend, de grenzen tussen lezen, schrijven, kijken en luisteren zijn vaag geworden.

Maar al krijgt de nieuwe lezer dan een deel van zijn verhalen binnen op een andere manier, daarmee zijn het er niet minder geworden. Integendeel. De kennis die lezers hebben, niet alleen van maar ook over verhalen, is hoe dan ook enorm gegroeid. Neem mijn dochter die op haar derde al probeerde verhaaltjes te bedenken. Dan zat ze achterop de fiets en murmelde ze bijvoorbeeld: ‘De bal. Jip heeft een bal.’ Verder kwam ze niet natuurlijk, maar kennelijk had ze al wel het concept ‘titel’ verworven. Dat moet te maken hebben gehad met de twee cassettebandjes van Jip en Janneke, die we elke dag weer voor haar op moesten zetten. Personages? Pokemon! Hoe verhalen in elkaar zitten? Ze was een jaar of negen toen ze dat als volgt wist samen te vatten. ‘Ze willen iets, en dan is er een probleem, en dat lossen ze dan samen op.’

De geletterdheid waar ik het hier over heb, is natuurlijk ook toegenomen door de aandacht voor verhalen en bijvoorbeeld de manier waarop deze tot stand komen in het onderwijs en de media. Denk bij dit laatste aan interviews met schrijvers en programma’s over films. Er is zelfs een nieuw genre ontstaan, The making of. Flashbacks, genreconventies, citaten. Zelfs de makers van commercials gebruiken ze. Trouwens, niet alleen de kennis over (het maken van) verhalen is gezonken cultuurgoed geworden. De kennis van de lezer is, mede door die stroom van verhalen, hoe dan ook gegroeid. Wie kent niet het middel om een verdachte aan de praat te krijgen dat te boek staat als ‘Good cop, bad cop’? Maar ook het psychologisch inzicht van mensen is gegroeid. Daardoor staat er bij Tolstoi voor de lezer van nu regelmatig net een zin te veel en zijn verhalen waarbij men op het einde ontdekt welke jeugdervaring het gedrag van de hoofdpersoon kan verklaren, minder bevredigend geworden. Hij heeft het allemaal al zo vaak gezien!

Zo kent ook de nieuwe lezer zijn klassieken. Verwijzingen naar de bijbel of de Griekse mythologie ontgaan hem misschien. Maar in de boeken, films en kunst van nu wordt ook verwezen naar andere werken. In de strips van Franka, die bedoeld zijn voor alle leeftijden, zitten verwijzingen naar de film Casablanca. Wild at Heart is een grote verwijzing naar The Wizard of Oz. Enzovoort. Veel mensen, vooral mannen, kunnen trouwens ook letterlijk passages citeren, bijvoorbeeld uit Taxi Driver.

Voor alle duidelijkheid, ik geloof niet dat alle jongeren even ‘mediasmart’ zijn of dat ouderen dat vrijwel per definitie niet zijn. De nieuwe lezer is ook niet per se jong, of gemakzuchtig en snel verveeld. Hij houdt namelijk wel van de snelle films van Quentin Tarantino, maar dat zijn geen gemakkelijke films, bovendien wordt hij ook geintrigeerd door een film als Elephant. Hij houdt er sowieso van dingen in zijn onbewuste te laten samenkomen. Verder leest hij De wolkenatlas, dat onderhoudend is, maar ook weer niet eenvoudig, of de nieuwste van Bret Easton Ellis. Ten slotte gaat het om een ontwikkeling die al een paar decennia geleden is ingezet. Denk aan televisieseries als Twin Peaks, The Singing Detective en schrijvers als Paul Auster, Jeanette Winterson.

Op het belangrijkste punt verschilt de nieuwe lezer trouwens niet van de oude, hij wil nog steeds geraakt worden, en daarvoor is het nodig dat hij iets van waarheid vindt in een verhaal. Zonder ooit een college over het postmodernisme te hebben gevolgd, weet hij echter ook dat je van niets zeker kunt zijn en dat zelfs het individu een fictie is. Deze zaken stemmen hem overigens niet treurig. Sterker, hij kan er de humor wel van inzien. Het gevolg is alleen dat hij soms minder geeft om de plot en de stijl, dan om de vorm waarin een verhaal is gegoten, zeker als die vorm de meervoudigheid heeft die hij ook vindt in de werkelijkheid. Zo laat hij zich graag prikkelen door een film als Being John Malkovich, waarin op geniale wijze de spot wordt gedreven met de behoefte van de moderne mens om een kijkje te nemen in het leven van beroemdheden.

Hij laat zich hoe dan ook niet in de luren leggen. Muziek, films en boeken die gemaakt zijn om veel geld mee te verdienen, herkent hij heus wel. Dat betekent echter niet dat hij er minder van kan genieten. Trouwens, ook verhalen die tot de laatste letter kloppen, zoals die van Mulisch, vindt hij soms best de moeite. Ze zijn naar zijn smaak alleen een beetje ouderwets. Hij hoeft niet meer volledig in een verhaal op te gaan. Dat is waarschijnlijk het belangrijkste verschil met de traditionele lezer. Als hij zo nu en dan van een afstandje naar een verhaal kan kijken, en een beetje kan puzzelen, zonder op al zijn vragen een antwoord te krijgen, dan is hem dat misschien nog wel liever.

Kortom, mensen willen nog steeds lezen. De nieuwe lezer wil alleen geen sprookjes meer, maar boeken die hem uitdagen. En humor dus. Of mededogen. Misschien moet je voor dit soort boeken een nieuwe term bedenken, zodat ze makkelijker te vinden zijn tussen alle traditionele romans.

recensie

de lezer, de schrijver en de waarheid

De westerse mens consumeert alleen nog maar en is niet in staat om liefde te geven. Dat is zo ongeveer het beeld dat Michel Houellebecq ons voorhoudt in zijn romans. Maar hoe is hij eigenlijk tot die conclusie gekomen? Ofwel wat is de ervaring van de omstreden Franse schrijver zelf? Op die vragen wil je een antwoord hebben als je begint in de biografie die over hem geschreven is door Denis Demonpion, onlangs vertaald onder de titel Houellebecq. In interviews heeft de schrijver namelijk nooit veel losgelaten over zijn persoonlijk leven en wat hij zegt, zo blijkt uit dit boek, is ook niet altijd waar. Er is hem kennelijk veel aan gelegen een bepaald beeld over zichzelf te geven. Zo is hij twee jaar ouder dan hij altijd gezegd heeft. Veel meer dan dit soort feitelijke informatie kan de biograaf ons echter niet geven. Houellebecq heeft niet meegewerkt aan dit boek, evenmin als de mensen in zijn directe omgeving.

Wel geïnterviewd zijn zijn ouders, met wie de schrijver zelf nauwelijks of geen contact meer heeft. Deze interviews leveren waarschijnlijk wel de aardigste passages op. Zo zien we hoe de moeder alle schuld van zich afwerpt op zo’n manier dat ze zich deze meteen weer oplaadt. Over zijn persoonlijkheid zegt ze bijvoorbeeld ‘dat hij nooit eens spontaan is, of met een afstandje naar de dingen kijkt’, waarna ze verder gaat: ‘Toch hebben we alles gedaan om die vermogens te ontwikkelen. Zijn vader was dolgelukkig als hij hem met een bezoek vereerde. Maar dat wilde hij niet.’ Dat er desondanks iets mis moet zijn gegaan, lijkt echter wel duidelijk. Opvallend veel ondervraagden beschrijven hun zoon als iemand die je zou willen troosten. Veelzeggend is bovendien dat Houellebecqs moeder ook de opvoeding van haar tweede kind uit handen heeft gegeven.

De vraag is natuurlijk of we over deze dingen meer te weten zouden zijn gekomen in een autobiografie. Houellebecq gaf als reden om Demonpion zijn medewerking te ontzeggen dat hij overwoog er een te schrijven. Maar zoals gezegd is de weinige informatie die hij tot nu over zijn persoon heeft willen geven niet altijd even betrouwbaar. Daarbij zegt hij zelf in het voorwoord bij de originele uitgave van De wereld als markt en strijd dat hij alleen maar autobiografisch kan schrijven. Met andere woorden, wat hij wil dat we van hem weten, weten we dus al. Ten slotte is het niet gezegd dat hij zelf weet wat hem precies gevormd heeft. De dingen die ons leven bepalen zijn nu eenmaal zelden zo helder als in de gemiddelde roman.

Daar zou ik aan willen toevoegen dat het psychologische inzicht van Houellebecq te wensen overlaat. Neem de liefdesrelatie in Platform. Demonpion merkt hierover terecht op dat ze weinig romantisch is. Veel lezers, en dan vooral de mannen, lijken uit de beschrijving van deze relatie de hoop te hebben geput dat het mogelijk een ander werkelijk nabij te komen door middel van seks. In Houellebecq wordt een criticus Le Monde geciteerd die dezelfde mening is toegedaan. Mij lijkt dit echter vooral iets te zeggen over de ervaring van deze lezers. Houellebecqs hoofdpersonen hebben moeite liefde te geven, dat is toch wel de heersende opvatting. Het zijn bovendien duidelijk afsplitsingen van hemzelf. Heeft hij zelf dan ook zoveel moeite om lief te hebben? Het is de schrijver in ieder geval een maal gevraagd. Toen antwoordde hij: ‘Ik ben een minder erg geval.’ Maar is dat wel zo? Hebben we hier niet te maken met een geval van wishful thinking? Al zegt hij het niet met zoveel woorden, het is duidelijk dat het Demonpion spijt dat hij hierover geen uitsluitsel kan geven. Want dat is toch wat je als lezer weten wilt. Hoe is deze man, die zoveel schrijft over liefde en seks, als minnaar?

In Houellebecq zien we dat de schrijver er niet voor terugschrikt vroegere klasgenoten en collega’s onder hun volledige naam op te voeren in zijn boeken. Ik neem daarom aan dat hij het mij ook niet kwalijk zal nemen als ik hier iets vertel over onze rendez-vous enkele jaren geleden in Hamburg. Daarvan zijn me twee momenten sterk bijgebleven. Het ene was net na de seks, toen hij niet reageerde op mijn strelingen. Het andere was de volgende morgen, toen ik hem zag trekken aan zijn sigaret en besefte dat geen weeskind erger kon hongeren naar liefde dan deze man.

Mijn conclusie is dan ook dat Houellebecq de wereld is gaan zien als een markt en strijd doordat hij niet bij machte is liefde te ontvangen. Doordat hij zich kennelijk in zijn jeugd al heeft afgesloten voor anderen, ongetwijfeld uit zelfbescherming, heeft hij de indruk gekregen dat mensen alleen maar tot oppervlakkig genot in staat zijn, waarna hij hiervoor een verklaring heeft gezocht in de aard van de westerse samenleving. Bij mij roept dat een vraag op over de vele mensen die hem bewonderen om zijn scherpe analyse. Hebben zij mogelijk eenzelfde ervaring? Mensen geloven niet wat ze lezen, ze lezen wat ze geloven. Overigens is dat misschien wel Demionpions grootste verdienste. Hij is niet puur afstandelijk, zoals een van zijn recensenten kennelijk vond. Zo blijkt hij duidelijk zeer gecharmeerd van de moeder van de schrijver. Hij laat je als lezer evenwel zelf je conclusies trekken. En zo hoort het ook.

log

to be or not to be

Ze zat op haar bed met in haar hand het entreekaartje van de kunstvlaai, kijkend naar de letters die wel hetzelfde leken als de prijzige wrijfletters die ze als meisje altijd spaarzaam gebruikt had. Het is niet precies te zeggen hoe het kwam dat ze zich op dat moment afvroeg wat het betekende om iemand te zijn. In een donkere hoek van de kamer zag ze zichzelf wegduiken. Misschien was dat het. In ieder geval bevroedde ze dat ze een en ander zou kunnen onderzoeken door zichzelf te beschrijven in de derde persoon. Alleen als ze degene was die beschreef, hoe kon ze dan tegelijkertijd degene zijn die beschreven werd? Daar zou ze voorlopig niet uitkomen, besefte ze, maar dat leek haar geen reden om van de onderneming af te zien. In tegendeel! Ze liet zich achterover vallen op haar bed en dacht verder. Alle dingen hadden een bepaalde kwaliteit, iets eigens, waaraan je ze herkende. De muziek bijvoorbeeld die iemand anders in de flat op dat moment draaide, leek haar afkomstig van een grammafoonplaat uit de jaren dertig. Ze zette de computer aan en opende een nieuw document waarin ze haar gedachten samenvatte en vervolgde. Net zo had ze een bepaalde notie van haar dierbaren. Dat bleek soms wanneer ze plotseling iets van hen herkende als tekenend, hun stem of een gebaar. In zulke ogenblikken, waarin ze overmand werd door liefde, was ze overigens zuiver wie ze was. Maar een notie van wie dat dan was, hield ze er niet aan over. Misschien was het wel makkelijker om te ontdekken wat het betekende om een ander te zijn. Maar als ze dacht aan de mensen die ze het beste doorgrondde, voelde ze alleen maar dat ze van hen hield. En ondertussen had T. niet meer gesms’t. Wat voor gevoel gaf dat haar, dus niet de R. die achter de computer zat maar de R. op haar bed? Niet het gevoel van gemis dat ze verwacht had. Misschien omdat het schrijven haar had afgeleid, maar dat dacht ze niet. Ze had meer vertrouwen dan vroeger. Kennelijk was ze iemand die vertrouwen had gekregen. Maar had van een afstandje kijken naar degene die niet gesms’t was zin als ze wilde doordringen tot diens wezen? Of kon je hoe dan ook niet schrijven en beschreven worden tegelijk? Ze vreesde het ergste. 

log

echt leven

Grunberg vertelt op televisie aan Rosenmuller dat hij het leven van zijn ouders geen echt leven vond en daarom besloot zelf wel te gaan leven, ook al zou hij hen daarmee verdriet doen. Om vervolgens te concluderen dat het ook hem niet lukt, net zo min als zijn personages. Het is ook vaak moeilijk om te leven. Als iemand in je omgeving iets ergs is overkomen bijvoorbeeld. Dan wordt het kennelijk ook je tweede natuur om dingen te verbergen. Anderen ga je niet belasten met je eigen sores. Maar je moet  de mensen om je heen sowieso niet te veel vertellen, want ook degenen die je het meest vertrouwt, kunnen je verraden. Het is alsof ik Ego hoor. Maar echt leven betekent waarschijnlijk toch dat je je niet verstopt als een onderduiker, niet onzichtbaar houdt als een gevangene in een concentratiekamp, maar integendeel dat je laat zien wie je bent. En dat proberen ze natuurlijk ook, Grunberg zowel als Ego. Maar goed, wie kan er zeggen dat hij echt leeft?

poetica

de kunst en het meisje

De taal is een machtig iets. Schrijvers kunnen werelden oproepen, werkelijkheden in de ware zin van het woord, waarin mensen net zo denken en doen als in het echte leven. En veel lezers laten zich daar graag heenvoeren. Het is goedkoper dan reizen en niet zo riskant als bijvoorbeeld vreemdgaan. Daarbij gebeurt er in een roman niets zonder reden. De wereld in een boek is een overzichtelijke. Mussen vallen niet zomaar dood van een dak!

Wie heeft schoolgegaan kent deze eisen, want dat zijn het inmiddels geworden. Personages moeten tot leven komen en alles moet betekenis hebben binnen het verhaal. De bezwaren tegen deze uitgangspunten liggen voor de hand en zijn ook al vaak verwoord. De werkelijkheid is immers verre van eenduidig. Personages die nooit iets onverklaarbaars doen, kunnen zelfs niet anders dan karikaturen zijn, hoe gedetailleerd hun gedachten en gevoelens ook mogen worden beschreven. Echte mensen zijn nu eenmaal nooit geheel te voorspellen. En al kunnen we wel een gevoel krijgen van Anna, Emma en Holden, het blijven scheppingen. De enige persoon die je als lezer van een roman kunt leren kennen, is de auteur.

Dat is te zeggen, misschien is de persoon van de auteur zelf wel een fictie, in die zin dat ook hij gemaakt is van taal. Want kan er sprake zijn van een individu zonder taal? We willen ons in het westen graag van elkaar onderscheiden, het gevoel hebben dat we uniek zijn. Maar hoe weten we of de verhalen die we horen en vertellen over onszelf ook kloppen? We zien wat we weten, gebruiken de categorieën die de taal ons aanreikt, beseffen alleen de dingen die we verwoorden. Het lijkt erop dat we niet anders kunnen. We herscheppen onszelf en de wereld om ons heen voortdurend met behulp van de taal. Terzijde, het omgekeerde is ook te verdedigen. Misschien bedient de taal zich net zo goed van ons als wij van haar.

We zijn overigens niet alleen maar gehecht aan onze individualiteit. We willen ons net zo goed kunnen verliezen. Ontsnappen! Het is voor velen de reden om een boek te pakken. Maar het kan ook verklaren waarom we liefhebben. In de liefde doet het er ook niet meer toe wie we zijn. Maar tegelijk zijn we meer dan anders. In die zin verliezen we onszelf juist niet.

Voor mij heeft schrijven ook alleen maar zin omdat het een manier is om me te laten kennen. Vergelijk het met wat Tracey Emin doet. Of PJ Harvey. Ik wil ingrijpen in de werkelijkheid. Overtuigen en verleiden. Daarom zijn de meeste van mijn verhalen ook in eerste instantie geschreven voor vrienden of geliefden. En ik wil begrijpen. Door personages, gemodelleerd naar mijzelf en de mensen om mij heen, steeds in een net iets andere situatie te brengen, hoop ik er voor mezelf achter te komen hoe wij allen in elkaar zitten. Mijn uitgangspunt daarbij is dat wat ons van elkaar onderscheidt niet zo interessant is. Wat voor manieren zijn er om zaken te zien? Dat wil ik weten.

Velen willen echter door een boek worden opgeslokt. Ze willen weten hoe een personage zo geworden is als hij geworden is. Wie het gedaan heeft. Of ze elkaar krijgen. Ik wil mijn lezers echter niet laten ontsnappen. Niet dat ik dat erg zou vinden. Als mensen mijn verhalen willen lezen voor de sekscenes, mijn zegen hebben ze. Maar ik schrijf niet om te gerieven. Daarom houden mijn verhalen zo vaak al op, voor jij als lezer er goed en wel in zit. Ik wil dat je de verbanden gaat zien die er te leggen zijn tussen de teksten onderling. Als ik zou geloven dat je om het gedrag van mensen te begrijpen je zou moeten weten onder welke omstandigheden ze zijn opgegroeid, welke trekken ze hebben geërfd van hun ouders en wat ze verder allemaal nog hebben meegemaakt, dan zou ik misschien ook dikke romans schrijven. Maar het leven is geen Hitchcock. Al zijn we ons ervan bewust dat er allerlei dingen op ons inwerken, we zullen nooit met zekerheid kunnen zeggen welke en hoe. Ik schrijf echt niet zomaar meerdere versies van ‘hetzelfde’ verhaal. Daarbij kun je als schrijver, als je gelooft dat verhalen en werkelijkheid in elkaar overlopen, je personages niet meer opsluiten in de wereld van hun verhaal.

log

de jongen die dacht dat alle mannen verkrachters waren

Uit mijn raam kijkend zie ik een jongen in een lange winterjas zo ronddraaien op zijn skates dat het lijkt alsof hij voortgeblazen wordt door de stormachtige wind. Het is een beeld dat ook bij Ego een glimlach op zou roepen, denk ik. En ik schrik. Hij is al zo lang niet meer bij me zoals hij bij me was, zelfs toen hij al lang weg was. Ik denk nog wel vaak aan hem, maar met een gevoel van spijt, geen moment vergetend dat het over is. Zelfs in mijn dromen van hem is het uit, al ontsteekt hij in die werkelijkheid ook niet meer in woede zodra hij me ziet. Maar door de roman die ik net heb gelezen zie ik nu iets waarvoor ik eerder, begrijpelijkerwijs wel, mijn ogen gesloten hield. Dat hij me vrijwel vanaf het begin ook gehaat moet hebben. Van iemand houden maar van haar walgen omdat ze geniet van de seks die je met haar hebt. Voor je te zien hoe ze seks heeft met anderen. Geloven dat ze van je houdt en daarom zielsgelukkig zijn, en het volgende moment zeker weten dat ze niet van je houdt en je daardoor vernederd voelen. Ervan overtuigd raken dat ze je kapot wil maken. Zoals zo veel mensen je kapot willen maken, misschien wel iedereen. Van jezelf walgen. Omdat je zelf ook seks wilt. En tijdens die seks denkt aan het meisje dat je die ochtend hebt gezien in de tram. Je schamen omdat je voor iedereen dingen verbergt. Logisch dat hij me af wilde maken en met dingen ging smijten. Die kop van hem moet helemaal vol hebben gezeten. Zonder dat ik dat op dat moment wist. Dat is een schok. Het verklaart ook waarom een relatie nooit stand had kunnen houden, al waren we in staat tot dezelfde intense gevoelens. Maar dat is een schrale troost.

kwestie

de manipulerende vrouw Net als in Madame Bovary kan Oek de Jong in Hokwerda’s kind elk moment van perspectief wisselen, waardoor je als lezer niet alleen de gedachtengang van de hoofdpersoon, Lin, maar ook die van de andere personages leert kennen. Een van de dingen die je zo ontdekt, is dat bij Lins vriend op een gegeven moment de overtuiging ontstaat dat zij hem, bewust of onbewust, manipuleert. Hij heeft haar namelijk meegenomen naar Schiermonnikoog, denkende dat het zijn idee was, maar daar aangekomen valt het hem in. Het tripje is geregisseerd door Lin. Zij was immers een paar keer over Schiermonnikoog te beginnen, die ochtend nog, ‘juist toen er verveling en ongedurigheid begonnen te ontstaan’. Doordat we ook in Lins hoofd kunnen kijken, weten we dat er van bewuste manipulatie in ieder geval geen sprake kan zijn. Wat niet wegneemt, dat Lin zichzelf ook vaak ervaart als dwingend. Of De Jong dat met haar eens is, is niet helemaal duidelijk. Op een gegeven moment is het Lin ook of haar leven zijn eigen gang gaat en manieren vindt om haar te laten overleven, al durft ze daar nog niet zeker van te zijn. En als de man die haar naar Schiermonnikoog heeft meegenomen haar jaren nadat ze uit elkaar zijn gegaan weer ziet, moet hij moeite doen om van haar af te blijven. De Jong roept hiermee een vraag op. Hebben vrouwen door de uitwerking die ze hebben op mannen werkelijk macht over hen, of is dat alleen maar het idee van die mannen? En zijn ze zich dan van die macht bewust? Willen ze hem? Mijn vermoeden is dat veel mannen ten onrechte denken van wel. Voor hen is het zo duidelijk! Maar de ene vrouw is de andere niet. Als je wil dat iemand echt van je houdt, wat toch het ideaal is in onze hoogindividualiseerde samenleving, ga je hem niet dwingen en ben je eerlijk. Als je dat ideaal niet hebt, bijvoorbeeld omdat je bent opgevoed met het idee dat vrouwen mannen moeten behagen om zeker te zijn van hun bescherming, heb je er waarschijnlijk veel minder moeite mee om de ander te vertellen dat hij de geweldigste man is die je ooit hebt ontmoet. Als die man weet hoe hij een en ander moet interpreteren is er trouwens weinig aan de hand. Alleen de man die zelf het romantische ideaal heeft, moet oppassen dat hij de manipulerende vrouw niet meer krediet geeft dan de eerlijke. Overigens denk ik niet dat vrouwen werkelijk dwingender zijn dan mannen. Als een man zijn zin probeert te krijgen, wordt dat alleen minder snel gezien als dwingen. Hij vindt het zelf normaal wat hij wil, wat het voor jou als vrouw moeilijk maakt om tegen hem in te gaan. Je bent dan al snel flauw of onredelijk, niet alleen in zijn maar ook in je eigen ogen. Bovendien hebben vrouwen de neiging en ook het vermogen om in de behoeften van de ander te voorzien, eventueeel nog voor deze ze bij zichzelf heeft opgemerkt. Dat helpt natuurlijk ook niet.

log

vrienden en zo Ha! Heb net besloten dat je, al kan je op niemand rekenen, moet leven alsof je dat wel kan. Kwam daarop doordat vorige week iemand de hoop uitsprak dat we altijd vrienden zouden blijven en ik meteen moest denken aan mijn voormalig beste vriendje dat me sinds hij een half jaar geleden een vriendinnetje heeft gekregen alleen nog maar wil zien op msn. Zo wantrouwig was ik vroeger nooit, maar Morris had me dan ook keer op keer verzekerd dat hij me niet verlaten zou, ook niet als hij een relatie kreeg. Sindsdien begrijp ik ook wat beter waarom sommige mensen als ze eenmaal in de liefde teleurgesteld zijn niemand meer echt dichtbij willen laten komen. Hoe dat werkt. Dat je een situatie herkent en dat je je dan afsluit. Of wegloopt. Of de ander wegduwt! Bijvoorbeeld door hem uit te gaan proberen. Om vervolgens elders veiligheid te gaan zoeken. In je werk? Maar zo wil ik toch niet worden. Ik wil zo dicht bij elkaar komen als maar kan. Aan de andere kant weet ik nog niet of ik het ga volhouden, leven alsof de mensen om me heen nooit meer weg zullen gaan en niet al te veel verdriet hebben als ze dan toch weggaan. Proberen maar!

log

kan ik je helpen?

Ik kan niet slapen. Een week geleden stond hij plotseling in mijn kamer. Morris. Met een rechte rug, zoals altijd eigenlijk. Verlegen glimlachend. Al was het maar in mijn verbeelding, het deed me toch goed te zien dat hij niet boos meer was. Vandaag op msn was hij echter weer gewoon bot. Alsof ik hem had ingeruild voor een ander, in plaats van andersom. Ik ben bang dat hij hoopt dat ik op zal houden hem te willen zien, terwijl het me allemaal niets uitmaakt, als ik hem zo nu en dan maar weer kan zien. En dan opeens hoor ik mijn lief naast me iets mompelen in zijn slaap. Kan ik je helpen? Ik kijk om. Hij ligt met zijn rug naar me toe. In werkelijkheid ligt hij aan de andere kant van de stad naast zijn vriendin, want ook deze man heeft me, jaren geleden al weer, verlaten voor iemand van zijn eigen leeftijd. Maar zijn bereidheid me te helpen, al is ze onbewust, troost me. Misschien is dat het ook wel wat het betekent met elkaar verbonden te zijn. Dat je elkaar blijft kennen.

fake fuck

Hoe weet je of iets dat iemand in zijn weblog schrijft, waar is of niet? Neem het volgende voorval.

Hij is nog maar net begonnen als hij al weer van me afrolt. Lichtelijk beschaamd kijkt hij me aan. ‘Dacht je dat dit echt was… Dit was nep, hoor. Ik heb je gefaket.’ Maanden later zal ik op Ego’s blog lezen dat ik nu boos word. Maar dat klopt niet. Ik ben verbijsterd. Dit soort dingen gebeurt alleen op tv. ‘Zit me niet te fucken, man!’ zeg ik, terwijl ik begin te begrijpen dat dat precies is wat hij heeft zitten doen. Na een half jaar vraagt hij of hij langs mag komen. Hij is degeen die mij begint te zoenen, niet andersom. Trillend, net als die eerste keer in de Helling. Ik ben overdonderd maar gelukkig. Ik trek hem op mijn bed. Hij kleedt me uit, kleedt zichzelf uit. En dan dit. ‘Zo ga je toch niet met mensen om,’ zeg ik, zonder veel overtuiging aangezien de ander daarnet zo dus wel om is gegaan met mij. Hij snuift. ‘Ha! Weet jij ook eens hoe het is. Al die maanden heb jij een spelletje gespeeld met mij, nu heb ik een spelletje gespeeld met jou!’ Hoe maakt je aan iemand duidelijk dat je van hem houdt, wanneer hij is overtuigd van het tegendeel? Ik weet maar een ding. Ik heb het hem al vaker gezegd. ‘Maar je moet toch gevoeld hebben dat ik van je hield, als we elkaar aankeken. Bijvoorbeeld de laatste paar keer dat we seks hadden. Dat was ook voor het eerst dat je me aankeek tijdens de seks.’ Ik denk hardop. ‘Nu keek je me trouwens ook aan…’ Zijn blik had me ongemakkelijk gemaakt maar met die informatie had ik niets gedaan. ‘Precies!’ zegt hij triomfantelijk. ‘Daar had ik op geoefend!’ Meteen weet ik dat het waar is. Hij heeft voor de spiegel gestaan als een acteur die zich voorbereidt op een rol. Het dringt tot me door voor welke waarheid hij heeft gekozen. Al kun je misschien beter zeggen dat de waarheid hem heeft uitgekozen. Inmiddels heeft hij zich weer aangekleed. ‘Gebruik maar voor je boek,’ zegt hij nog. En dan is hij vertrokken.

Nu is mijn behoefte gekend te worden groter dan het verlangen te worden bemind. Ik heb de zaken hierboven dan ook niet anders voorgesteld dan ze waren, zij het dat ik een deel van de woordenwisseling weggelaten. Maar ik hoop eigenlijk dat u dat niet zo maar van mij aanneemt. Ik heb liever dat u zich ervan bewust bent dat wat ik schrijf niet precies zo gebeurd hoeft te zijn en dat u zich een beeld vormt door bijvoorbeeld ook het verhaal van Ego te lezen – met wat googlen is dat namelijk zo te vinden.